ECLI:NL:CRVB:2025:1684

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
25/68 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uwv en de bevestiging van de WIA-uitkering

In deze zaak gaat het om de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv haar mate van arbeidsongeschiktheid per 2 juni 2021 op 55,07% en per 28 april 2022 op 56,22% ten onrechte heeft vastgesteld. Appellante is van mening dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 8 oktober 2025, waarbij appellante werd bijgestaan door haar advocaat, mr. F. Bovenberg, en ook haar zus aanwezig was. Het Uwv werd vertegenwoordigd door drs. J.C. van Beek.

De Raad heeft vastgesteld dat het Uwv de arbeidsongeschiktheid op juiste wijze heeft beoordeeld. De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende is en dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. De Raad heeft de argumenten van appellante, waaronder de informatie van haar neuroloog en verzekeringsarts, niet overtuigend genoeg geacht om de eerdere beoordelingen van het Uwv te weerleggen. De Raad heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de medische beoordeling van het Uwv en dat de ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering in stand blijft. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2024, die het bezwaar van appellante ongegrond verklaarde, wordt bevestigd.

Uitspraak

25/68 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2024, 24/5361 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 19 november 2025
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 2 juni 2021 terecht heeft vastgesteld op 55,07% en per 28 april 2022 terecht heeft vastgesteld op 56,22%. Appellante vindt dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het arbeidsongeschiktheidspercentage op juiste wijze heeft vastgesteld.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. F. Bovenberg hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 oktober 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bovenberg. Ook is verschenen [naam zus] , de zus van appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante heeft voor het laatst gewerkt als senior consultant voor 31,95 uur per week. Op 25 januari 2018 heeft zij zich ziekgemeld met belemmerende gezondheidsklachten. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellante bij het verrichten van arbeid beperkingen heeft en die beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 december 2019. De arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellante functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 56,85%. Het Uwv heeft bij besluit van 14 januari 2020 aan appellante met ingang van 23 januari 2020 een loongerelateerde WGAuitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend.
1.2.
Bij besluit van 29 juli 2020 heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen reden is af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee van de primair geselecteerde functies laten vervallen, twee nieuwe functies geselecteerd en het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante vastgesteld op 60,18%.
1.3.
Na afloop van de loongerelateerde periode heeft het Uwv appellante met ingang van 23 augustus 2021 een WGA-vervolguitkering toegekend, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd is gebleven.
1.4.
Op 2 juni 2021 heeft de ex-werkgever van appellante een verzoek om een herbeoordeling ingediend. In verband hiermee heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat de benutbare mogelijkheden van appellante niet zijn gewijzigd ten opzichte van de FML van 20 december 2019. Bij besluit van 28 september 2022 heeft het Uwv besloten de WIA-uitkering van appellante ongewijzigd voort te zetten.
1.5.
Bij besluit van 19 april 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat terecht is gesteld dat de benutbare mogelijkheden per 28 april 2022 niet zijn gewijzigd ten opzichte van de FML van 20 december 2019.
1.6.
Hangende beroep heeft het Uwv een nieuw verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd die zien op de datum in geding 2 juni 2021, waarin nieuwe medische informatie is meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. Wel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een FML van 26 juli 2024 opgesteld geldig per 2 juni 2021 en een FML van 26 juli 2024 opgesteld geldig per 28 april 2022. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van appellante per 2 juni 2021 vastgesteld op 55,07% en per 28 april 2022 op 56,22%.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv ten onrechte de datum van 2 juni 2021 niet als datum in geding heeft gehanteerd. Omdat het Uwv hangende beroep ook een beoordeling heeft laten plaatsvinden per 2 juni 2021 is daarmee het gebrek hersteld en is de rechtbank uitgegaan van twee data in geding, te weten 2 juni 2021 en 28 april 2022. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft in wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om het medisch oordeel voor onjuist te houden. De rechtbank is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig of onjuist beeld had van de medische situatie van appellante en dat per beide data in geding meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het benoemen van een onafhankelijk medisch deskundige. Omdat het Uwv de belastbaarheid van appellante juist heeft vastgesteld en appellante geen specifieke gronden heeft ingediend die zien op de arbeidsdeskundige beoordeling is er geen reden om aan te nemen dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn voor appellante.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellante is het onnavolgbaar dat er geen aanvullende beperkingen zijn aangenomen op grond van het feit dat bij haar aan beide zijden carpaal tunnelsyndroom (cts) is vastgesteld. Het gaat volgens appellante om beperkingen voor repetitieve hand-, vinger- en polsbewegingen, schroefbewegingen met de hand en werken met toetsenbord en muis. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst appellante naar een verzekeringsgeneeskundig rapport van 7 januari 2025 van verzekeringsarts/medisch adviseur S. Lok en een brief van 19 mei 2020 van neuroloog J.P.A. Samijn.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft, onder verwijzing naar het rapport van 26 mei 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden, of de rechtbank het bestreden besluit over de beëindiging van de WIAuitkering van appellante terecht in stand heeft gelaten. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
Medische beoordeling
4.2.
Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat zij in de beroepsprocedure heeft aangevoerd. Er is geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen, worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.3.
Ter onderbouwing van haar standpunt dat haar klachten zijn onderschat, heeft appellante gewezen op informatie van neuroloog Samijn en op het rapport van verzekeringsarts/medisch adviseur Lok. In de brief van de neuroloog staat onder meer vermeld dat bij appellante aan beide zijden cts is vastgesteld. In het rapport van de verzekeringsarts/medisch adviseur wordt geconcludeerd dat op basis van de door de neuroloog vastgestelde cts beiderzijds aanleiding bestaat voor beperkingen in de FML, waarbij het meest voor de hand ligt beperkingen bij het maken van repetitieve hand-, vinger- en polswegwegingen, schroefbewegingen met de hand en werken met toetsenbord en muis.
4.4.
In het rapport van 26 mei 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op de door appellante in hoger beroep ingebrachte informatie en geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft het standpunt te wijzigen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat de klachten die zijn toegeschreven aan de door de neuroloog vastgestelde cts beiderzijds al bekend waren ten tijde van de eerdere WIA-beoordeling (per einde wachttijd) en niet hebben geleid tot de door de medisch adviseur genoemde beperkingen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is niet gebleken dat het cts in de periode na de vaststelling ervan tot aan 28 april 2022 (tweede en laatste datum in geding) medisch objectief is veranderd. Datzelfde geldt voor de periode tot de hoorzitting in bezwaar op 12 maart 2024. Tijdens deze hoorzitting konden bij het lichamelijk onderzoek van de bovenste extremiteiten geen afwijkingen worden geobjectiveerd. Dit strookt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de bevindingen van de neuroloog, te weten dat geen afwijkingen zijn gevonden bij neurologisch onderzoek, waaronder geen afwijkingen ten aanzien van de kracht, coördinatie, pijnzin en vibratiezin. De neuroloog heeft niet geadviseerd bepaalde activiteiten te vermijden of beperken. Dit is in lijn met de richtlijn Carpaletunnelsyndroom van de Federatie Medisch Specialisten, waaruit niet blijkt dat een persoon met cts bepaalde activiteiten moet vermijden of beperken om verergering van klachten te voorkomen.
4.5.
Met dit rapport heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de Raad toereikend gemotiveerd dat de informatie van de neuroloog en het rapport van de verzekeringsarts/medisch adviseur geen reden geven tot wijziging van de eerder vastgestelde belastbaarheid per beide data in geding.
4.6.
Ter zitting heeft appellante zich – onder verwijzing naar een uitspraak van 11 juni 2025 van de rechtbank Amsterdam [1] – op het standpunt gesteld dat de verzekeringsarts onvoldoende rekening heeft gehouden met alle omstandigheden. Volgens appellante is ten onrechte alleen gekeken naar de lichamelijke onderzoeken, die slechts een momentopname betreffen. Het gaat om het functioneren gedurende de dag en er moet volgens appellante meer nadruk worden gelegd op haar eigen beleving van de klachten in plaats van slechts het beperkte lichamelijke onderzoek.
4.7.
De Raad volgt dit standpunt van appellante niet. Hoewel de Raad begrijpt dat voor appellante voorop staat wat zij zelf voelt en ervaart, gaat het bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling, zoals hier aan de orde, om beperkingen die een medisch objectiveerbaar gevolg zijn van ziekte. De subjectieve beleving is daarom niet doorslaggevend. Het Uwv ontkent niet dat appellante veel klachten heeft en beperkingen ervaart. Daarom zijn per verschillende data FML’s opgesteld. Een medisch objectieve onderbouwing voor het aannemen van daarop aanvullende beperkingen is niet gebleken. Zonder afbreuk te willen doen aan de door appellante ervaren impact van haar klachten op het dagelijks leven, ziet de Raad in wat zij heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de medische onderbouwing van het bestreden besluit. De door appellante aangehaalde uitspraak ziet niet op een vergelijkbaar feitencomplex, zodat ook daarin geen aanleiding wordt gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
4.8.
Omdat geen twijfel bestaat over de juistheid van de medische beoordeling van het Uwv, ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.
Arbeidskundige beoordeling
4.9.
Gelet op de conclusie dat geen sprake is van toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beoordeling, wordt aan een beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet toegekomen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering in stand blijft.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door F.M. Rijnbeek, in tegenwoordigheid van J.A. Adjei Asamoah als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
(getekend) F.M. Rijnbeek
(getekend) J.A. Adjei-Asamoah

Voetnoten

1.Rb. Amsterdam 11 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3977.