ECLI:NL:CRVB:2025:1684
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uwv en de bevestiging van de WIA-uitkering
In deze zaak gaat het om de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellante door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat het Uwv haar mate van arbeidsongeschiktheid per 2 juni 2021 op 55,07% en per 28 april 2022 op 56,22% ten onrechte heeft vastgesteld. Appellante is van mening dat zij meer (medische) beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen. De Centrale Raad van Beroep heeft de zaak behandeld op 8 oktober 2025, waarbij appellante werd bijgestaan door haar advocaat, mr. F. Bovenberg, en ook haar zus aanwezig was. Het Uwv werd vertegenwoordigd door drs. J.C. van Beek.
De Raad heeft vastgesteld dat het Uwv de arbeidsongeschiktheid op juiste wijze heeft beoordeeld. De Raad oordeelt dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende is en dat de geselecteerde functies passend zijn voor appellante. De Raad heeft de argumenten van appellante, waaronder de informatie van haar neuroloog en verzekeringsarts, niet overtuigend genoeg geacht om de eerdere beoordelingen van het Uwv te weerleggen. De Raad heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de medische beoordeling van het Uwv en dat de ongewijzigde voortzetting van de WIA-uitkering in stand blijft. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 december 2024, die het bezwaar van appellante ongegrond verklaarde, wordt bevestigd.