ECLI:NL:RBOBR:2026:1658
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel van 7.330 euro na telen hennep
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 13 maart 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder is veroordeeld voor het telen van hennep. De officier van justitie en de verdediging hebben op 27 februari 2026 een overeenkomst gesloten over de afdoening van de ontnemingsvordering, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld op 7.330 euro.
Tijdens de openbare terechtzitting is deze overeenkomst besproken en bevestigd door verdachte, die rechtsgeldig is bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte bewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van bepaalde verdedigingsrechten en dat de procesafspraken geen afbreuk doen aan het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd in artikel 6 EVRM Pro.
De rechtbank heeft vervolgens de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van 7.330 euro opgelegd aan verdachte. Tevens is de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 73 dagen conform artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering. De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank legt een betalingsverplichting van 7.330 euro op ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel na telen van hennep.