ECLI:NL:RBOBR:2026:1620

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
25/1485
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WIAArt. 14 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 15 Dagloonbesluit werknemersverzekeringenArt. 16 Wet financiering sociale verzekeringenArt. 33 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening dagloon wegens geen loonloos tijdvak

Eiser verzocht het UWV om herziening van zijn dagloon, omdat hij meent dat de berekening onjuist is en leidt tot een lagere uitkering dan waar hij recht op heeft. Hij baseert zich op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarin werd geoordeeld dat een achteraf betaalde WW-uitkering moet worden meegenomen bij de dagloonberekening als dit leidt tot een loonloos tijdvak.

Het UWV wees het verzoek af omdat in de situatie van eiser geen loonloos tijdvak aanwezig is, mede doordat hij een nabetaling van vakantiedagen ontving binnen de referteperiode. De rechtbank bevestigt dit standpunt en stelt dat de CRvB-uitspraak alleen ziet op gevallen met een daadwerkelijk loonloos tijdvak, waarbij geen enkel loon is ontvangen.

De rechtbank overweegt dat het Dagloonbesluit een gebonden bevoegdheid betreft en dat de wetgever bij het vaststellen van dit besluit al een belangenafweging heeft gemaakt. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot een afwijking, maar de persoonlijke financiële situatie van eiser en de nabetaling vormen geen bijzondere omstandigheden.

Daarom is het beroep ongegrond en blijft het UWV-besluit in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het UWV-besluit tot niet-herziening van het dagloon wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1485

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.M.A. van den Boogaard),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser tot herziening van de hoogte van zijn dagloon. Het UWV heeft het verzoek afgewezen. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV het dagloon op de juiste manier heeft berekend. Het UWV heeft het verzoek tot herziening van het dagloon daarom op goede gronden afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 2 februari 2024 een verzoek tot herziening van zijn dagloon ingediend. Met het besluit van 27 september 2024 heeft het UWV aan eiser laten weten dat het dagloon niet wordt herzien. Eiser is het niet eens met dit besluit en is daarom tegen dit besluit in bezwaar gegaan. Met de beslissing op bezwaar van 20 mei 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij zijn besluit gebleven.
2.1.
Eiser is het ook niet eens met het bestreden besluit. Daarom heeft hij hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
In reactie op het beroepschrift heeft het UWV een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Eiser ontvangt sinds 1 mei 2017 een WW-uitkering (Werkloosheidswet). In mei 2017 ontvangt eiser een nabetaling van zijn ex-werkgever van € 340,17 (all-in loon). Dat betreft de uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. Tijdens de WW-uitkering meldt eiser zich ziek, waarna aan hem per 24 juni 2019 een WIA-uitkering wordt toegekend met een dagloon van € 134,71. De referteperiode voor de berekening van dit WIA-dagloon loopt van 1 juni 2016 tot en met 31 mei 2017.
3.1.
Eiser stelt bezwaar, beroep en hoger beroep in tegen het vastgestelde dagloon. Dat leidt niet tot aanpassing van het dagloon. Op 2 februari 2024 heeft eiser een herzieningsverzoek ingediend bij het UWV. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals vermeld staat onder het kopje “Procesverloop”.
Heeft het UWV op goede gronden besloten het dagloon niet te herzien?
Standpunt van eiser
4. Eiser heeft aangevoerd dat het UWV ten onrechte het dagloon niet heeft herzien en doet daarbij een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Eiser heeft erop gewezen dat de berekening van het dagloon door het UWV voor hem nadelig uitpakt. Dit leidt ertoe dat zijn uitkering veel lager is dan waar hij recht op heeft. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat hij zich in een lastige financiële positie bevindt. Volgens eiser zijn de gevolgen van het besluit onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
4.1.
Ter onderbouwing van zijn beroep op het evenredigheidsbeginsel heeft eiser aangevoerd dat zijn kwestie vergelijkbaar is met de situatie zoals die aan de orde was in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 november 2023. [1] In die zaak stelde de CRvB vast dat de berekening van het dagloon in strijd was met het evenredigheidsbeginsel als een werknemer tijdens de referteperiode werkloos wordt. Doordat een WW-uitkering namelijk achteraf wordt betaald, wordt een werknemer benadeeld. Dit komt doordat het loon betrekking heeft op 11 maanden, terwijl dat gedeeld wordt door 12 maanden. Eiser heeft erop gewezen dat dit in zijn situatie ook aan de orde is. De WW-uitkering van eiser over mei 2017 is pas in juni 2017 uitbetaald. Daarom is deze uitkering niet meegerekend voor het dagloon, terwijl de uitkering wel ziet op een tijdvak binnen de referteperiode, namelijk mei 2017. Volgens eiser volgt uit de uitspraak van de CRvB dat de uitbetaling in juni 2017 moet worden toegerekend aan de maand mei 2017 en vervolgens moet worden meegenomen in de berekening van het dagloon.
4.2.
Dat eiser over de maand mei 2017 nog een kleine nabetaling van € 340,17 heeft ontvangen van zijn voormalig werkgever maakt dit volgens hem niet anders. Ten eerste blijkt volgens eiser uit de uitspraak van de CRvB niet of die betreffende belanghebbende, net als eiser, nog een nabetaling heeft ontvangen in de maand dat een WW-uitkering is toegekend. Er kan dus niet gezegd worden dat de zaak van de CRvB niet vergelijkbaar is met de zaak van eiser. Volgens eiser volgt uit de uitspraak van de CRvB dat de uitbetaalde WW-uitkering ook bij de hoogte van het dagloon moet worden betrokken in het geval geen sprake is van een loonloze periode of in het geval dat sprake is van een kleine nabetaling die niet in verhouding staat tot het genoten loon. Ten tweede heeft een werkgever tot een maand na het einde van het dienstverband de tijd om de eindafrekening op te maken. In de praktijk wordt deze eindafrekening ook betaald na afloop van het dienstverband. Hoe dan ook is het bedrag dat eiser in mei 2017 kreeg nabetaald een fractie van wat hij normaal gesproken als maandloon ontving. Eiser vindt daarom dat het UWV in de berekening van het dagloon zowel de nabetaling van € 340,17 als de in juni 2017 uitbetaalde WW-uitkering had moeten betrekken.
Standpunt van het UWV
5. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat het dagloon terecht niet is herzien. Daarbij wijst hij erop dat de CRvB in genoemde uitspraak alleen heeft geoordeeld dat de buiten de referentieperiode uitbetaalde WW-uitkering moet worden meegerekend als die uitgestelde betaling heeft geleid tot een loonloos tijdvak binnen de referteperiode. Van een loonloos tijdvak is volgens het UWV in het geval van eiser geen sprake. Hij heeft immers een bedrag van € 340,17 ontvangen. Tijdens de zitting heeft het UWV toegelicht dat onder loonloos tijdvak moet worden verstaan een periode waarin geen enkel loon is ontvangen.
Het beoordelingskader
6. In artikel 13, eerste lid, van de WIA is geregeld dat het dagloon 1/261 deel van het loon is dat de werknemer verdiende in de referteperiode. De referteperiode is de periode van één jaar die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin iemand arbeidsongeschikt is geworden.
6.1.
Volgens het derde lid van dit artikel worden bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de vaststelling van het dagloon nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld. Deze regels zijn gesteld in het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (Dagloonbesluit).
6.2.
Op grond van artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit wordt onder loon verstaan loon in de zin van artikel 16 van Pro de Wet financiering sociale verzekeringen. Dit omvat mede een
WW-uitkering.
6.3.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van het dagloonbesluit wordt de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover een werkgever opgave heeft gedaan van dat loon.
6.4.
Volgens artikel 33, eerste lid, van de WW betaalt het UWV de WW-uitkering in de regel per kalendermaand achteraf.
Pakt het besluit onevenredig nadelig uit voor eiser?
7. Met het bestreden besluit heeft het UWV toepassing gegeven aan het Dagloonbesluit. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die is neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is. In de uitspraak van 26 maart 2024 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) overwogen dat bij de rechtstreekse toetsing van een gebonden besluit dat steunt op een algemeen verbindend voorschrift, op het niveau van het algemeen verbindende voorschrift al een belangenafweging heeft plaatsgevonden door de wetgever. Daarmee is de evenredigheid in principe gegeven. In het geval van eiser wil dat zeggen dat bij het vaststellen van het Dagloonbesluit de wetgever al een algemene belangenafweging heeft gemaakt en dat het Dagloonbesluit daarom in principe evenredig is. Dit kan alleen anders zijn als er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat de toepassing van het voorschrift in het specifieke geval onevenredig is. Hierbij gaat het alleen nog om de evenwichtigheid van het besluit. De rechter beoordeelt dus of het besluit onevenwichtig is, waarbij de toetsing is of het in de gegeven omstandigheden voor de belanghebbende onredelijk bezwarend is. [2]
7.1.
De CRvB oordeelt in de uitspraak van 29 november 2023 dat toepassing van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit ten aanzien van belanghebbenden voor wie toepassing van artikel 33, eerste lid, van de WW leidt tot een loonloze periode in de referteperiode, onevenredig nadelige gevolgen heeft in relatie tot de met de in hoofdstuk 3 van het Dagloonbesluit te dienen doelen. Vervolgens oordeelt de CRvB dat dit betekent dat de toepassing van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit in deze gevallen strijdig is met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat de CRvB in deze uitspraak expliciet overweegt dat degenen bij wie de betreffende regeling leidt tot een loonloze periode een beroep kan doen op het evenredigheidsbeginsel.
7.2.
Tussen partijen is echter in geschil wat onder een loonloos tijdvak moet worden verstaan. Tijdens de zitting heeft eiser daarover nog het volgende aangevoerd. Eiser vindt de term loonloos in de uitspraak van de CRvB wat ongelukkig geformuleerd. Volgens eiser heeft de CRvB bedoeld te oordelen dat de WW-uitkering die buiten de referteperiode is betaald, bij de hoogte van het dagloon moet worden betrokken. Dit zou dus ook moeten gebeuren als geen sprake is van een loonloze periode of wanneer sprake is van een kleine nabetaling die niet in verhouding staat tot het eerder genoten loon. Volgens eiser is voor de CRvB niet doorslaggevend of sprake is van een maand zonder enig loon. De omstandigheid dat de WW-uitkering achteraf is betaald leidt volgens eiser per definitie tot een loonloze periode. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit de uitspraak van de CRvB volgt niet dat met een loonloos tijdvak iets anders is bedoeld dan een periode waarin geen loon, zoals bedoeld in artikel 14 van Pro het Dagloonbesluit, is ontvangen. Dat een betaling achteraf (zoals in het geval van een WW-uitkering) per definitie leidt tot een loonloos tijdvak blijkt niet uit de uitspraak van de CRvB. Ook een nabetaling van vakantiedagen, zoals in het geval van eiser, staat eraan in de weg dat sprake is van een loonloos tijdvak.
7.3.
Verder overweegt de rechtbank het volgende. De CRvB betrekt uitdrukkelijk parlementaire stukken waaruit blijkt dat de wetgever het knelpunt van de achteraf betaalde WW-uitkering voor het berekenen van de hoogte van het dagloon onderkende. [3] Vervolgens overweegt de CRvB dat op basis van deze parlementaire stukken de toepassing van artikel 15, eerste lid, van het Dagloonbesluit niet langer door de minister werd voorgestaan in gevallen waarin sprake is van een ziekmelding vanuit de WW die uiteindelijk resulteert in een WIA-uitkering en waarbij de toepassing van artikel 33 van Pro de WW heeft geleid tot een loonloze periode in de referteperiode voor het dagloon. [4] De minister maakte voor deze gevallen een andere politiek-bestuurlijke afweging dan voorheen, met als doel het wegnemen van de nadelige gevolgen van deze loonloze periode, zo overweegt de CRvB. Daaraan wordt nog toegevoegd dat uitsluitend voor deze doelgroep, wordt voorgesteld uit te gaan van het WW-dagloon. De rechtbank leest hierin dat alleen in het geval sprake is van een loonloos tijdvak, dus een tijdvak waarin geen enkel loon is ontvangen, een beroep op de uitspraak van de CRvB kan slagen en de uitspraak niet ruimer dan dat moet worden gelezen.
7.4.
De persoonlijke financiële omstandigheden die eiser tijdens de zitting heeft genoemd zijn voor de rechtbank invoelbaar. Desondanks kunnen ze niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onevenwichtig is. Dat het besluit negatieve gevolgen voor eiser heeft, maakt namelijk niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid waardoor het besluit onevenwichtig is. De omstandigheid dat de nabetaling van € 340,17 tot een lager dagloon leidt, is namelijk een omstandigheid die ook voor andere uitkeringsgerechtigden geldt die een (kleine) nabetaling krijgen. Daarom is het geen bijzondere omstandigheid om voor eiser af te wijken van de algemene regels voor de berekening van de uitkering en voor hem tot een hogere uitkering te komen.
7.5.
Gezien al het voorgaande leidt strikte toepassing van het dagloonbesluit in het specifieke geval van eiser niet tot onevenredig nadelige gevolgen. De rechtbank concludeert dat de uitkomst van de dagloonberekening zoals door het UWV uitgevoerd niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het UWV heeft het verzoek tot herziening van het dagloon daarom op goede gronden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en het dagloon van eiser niet aangepast wordt. Eiser krijgt daarom geen proceskostenvergoeding en krijgt ook het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.C. Veelenturf, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.College van Beroep voor het bedrijfsleven 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190.
3.Rechtsoverwegingen 4.5.2 tot en met 4.5.4.
4.Rechtsoverweging 4.5.5.