Eiseres is eigenaar en bewoner van een perceel waar een tuinhuis zonder omgevingsvergunning is geplaatst. Het college legde haar een last onder dwangsom op wegens strijdig gebruik van de grond met de bestemming. Eiseres betwistte dit, stellende dat zij het tuinhuis niet heeft gebouwd, dat er geen overtreding is en dat een buurman een vergelijkbaar bouwwerk mag hebben.
De rechtbank oordeelt dat het college bevoegd was tot handhaving omdat het tuinhuis zonder vergunning is gebouwd, wat een overtreding vormt van artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet. Eiseres wordt als overtreder aangemerkt omdat zij als eigenaar en bewoner feitelijke zeggenschap heeft over het perceel en de overtreding kan beëindigen.
Verder is geen concreet zicht op legalisatie omdat het college de vergunning terecht heeft geweigerd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de vergelijkbare situatie niet identiek is. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, verlengt de begunstigingstermijn tot vier weken na uitspraak en wijst proceskostenveroordeling af.