Eiser heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €451.000 per waardepeildatum 1 januari 2024 voor het belastingjaar 2025. De heffingsambtenaar baseerde de waarde op een waardematrix met drie vergelijkingsobjecten, waarbij rekening is gehouden met verschillen in oppervlakte, voorzieningen en grondwaarde.
Eiser voerde aan dat de waarde te hoog is vastgesteld, onder meer omdat de stijging van ruim 14% niet strookt met het landelijke CBS-stijgingspercentage van 1,6%, en dat bouwplannen voor 110 woningen nabij de woning een negatieve invloed zouden hebben. De rechtbank oordeelt dat de WOZ-waarde jaarlijks onafhankelijk wordt vastgesteld op basis van vergelijkbare verkopen rond de waardepeildatum, waardoor CBS-indexering niet relevant is. Ook is het waardedrukkend effect van de bouwplannen volgens de rechtbank verwerkt in de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten.
Verder is de inrichting van de woning als matig beoordeeld en vergeleken met vergelijkbare objecten, wat de rechtbank voldoende acht. De door eiser overgelegde tabel met vrijstaande woningen is niet relevant omdat deze woningen niet verkocht zijn en bovendien niet vergelijkbaar. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.