AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep toevoeging en deugdelijkheid motivering bestuursbesluit
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het beroep van eiser en eiseres tegen het besluit van 2 december 2024 waarin de aanvraag om een toevoeging werd afgewezen. De toevoeging werd geweigerd omdat de werkzaamheden onder een reeds verleende toevoeging vielen.
Eiser had een beroep op betalingsonmacht gedaan vanwege zijn uitzetting naar Bulgarije en het ontbreken van contact met zijn advocaat. Ondanks verzoeken van de rechtbank om een door eiser zelf ondertekende verklaring en informatie over het contact met zijn advocaat, bleef reactie uit. De rechtbank concludeerde dat het beroep van eiser geen feitelijke betekenis meer had en verklaarde het niet-ontvankelijk.
Eiseres voerde aan dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. De rechtbank stelde vast dat het bestuursorgaan het advies van de bezwaaradviescommissie had gevolgd en dat de motivering logisch en begrijpelijk was. Omdat eiseres geen nadere gronden aanvoerde, werd haar beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 AwbPro. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid van verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van eiseres is ongegrond verklaard wegens deugdelijk gemotiveerd bestuursbesluit.
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/146
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
[eiseres], eiseres,
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, de raad.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser en van eiseres tegen het bestreden besluit van 2 december 2024. In dit besluit is het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag om een toevoeging (1KL5126) ongegrond verklaard. De toevoeging is afgewezen omdat de werkzaamheden worden geacht onder het bereik van een andere toevoeging (1KL5980) te vallen.
1.1.
Omdat het beroep van eiser kennelijk niet-ontvankelijk is en dat van eiseres kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. De gemachtigde heeft op 13 maart 2025 namens eiser een beroep op betalingsonmacht gedaan in verband met het griffierecht. Zij heeft in dit verband erop gewezen dat haar cliënt enkele maanden geleden is overgedragen (naar Bulgarije) en tijdens de asielprocedure alleen Rva-verstrekkingen kreeg. Daarop is eiser in de gelegenheid gesteld de door hem te ondertekenen eigen verklaring in te vullen.
3. Op 19 maart 2025 heeft de gemachtigde de eigen verklaring ondertekend en er nogmaals op gewezen dat haar cliënt enkele maanden geleden is uitgezet naar Bulgarije. Daarop heeft de rechtbank de gemachtigde nogmaals verzocht de eigen verklaring door haar cliënt zelf te laten ondertekenen en tevens de vraag te beantwoorden of zij nog contact met haar cliënt onderhoudt omdat hij al maanden geleden is uitgezet naar Bulgarije. De gemachtigde is verzocht om binnen twee weken hierop een reactie te geven. Een reactie op dit verzoek van de rechtbank is niet ontvangen.
4. Op 30 mei 2025 is het beroep op betalingsonmacht afgewezen en is griffierecht geheven. Het griffierecht is betaald maar uit het niet reageren van de gemachtigde leidt de rechtbank af dat zij geen contact heeft met haar cliënt. De vraag is of het doel dat eiser met het beroep wil bereiken, namelijk een toevoeging, voor hem nog feitelijke betekenis heeft als hij geen contact meer onderhoudt met de advocaat wiens toevoeging hij verzoekt. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Daarbij komt dat eiser ook geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep gelet op de redenen waarom de raad een toevoeging heeft geweigerd. Aan eiser is namelijk in dit geval geen toevoeging verleend in verband met het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de geplande overdracht op 26 augustus 2024 aan de Bulgaarse autoriteiten omdat de werkzaamheden werden geacht te vallen onder het bereik van een reeds verleende toevoeging voor het beroep en de voorlopige voorziening tegen de herhaalde asielaanvraag (1KL5980). De omstandigheid dat eiser geen toevoeging krijgt, betekent dus niet dat hij geen aanspraak kan maken op rechtsbijstand. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2022 [1] waarin is geoordeeld dat in een geval als dit het door de rechtszoekende ingestelde rechtsmiddel moet worden toegerekend aan de rechtsbijstandverlener. Voor dit beroep betekent dit dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is en dat het beroep mede door eiseres wordt geacht te zijn ingediend.
5. Eiseres voert als enige beroepsgrond aan dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de raad in het bestreden besluit het advies van de bezwaaradviescommissie heeft overgenomen en voor de motivering naar dit advies heeft gewezen. In het advies wordt uiteengezet dat de werkzaamheden vallen onder het bereik van een reeds verleende toevoeging en wordt tevens ingegaan op het door de gemachtigde in bezwaar aangevoerde argument dat er op een onverwacht moment veel werkzaamheden door de gemachtigde worden verricht die niet afzonderlijk vergoed worden. De rechtbank is van oordeel dat de conclusie van het besluit logisch volgt uit het advies en dat ook het advies niet onbegrijpelijk is. Daarmee is het besluit deugdelijk gemotiveerd. Eiseres heeft verder niet uitgelegd waarom het besluit juridisch geen stand kan houden en heeft de rechtbank ook niet verzocht om een termijn om de gronden van haar beroep aan te vullen. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van A. Buijk-Ibrahimovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.