ECLI:NL:RBOBR:2025:8906

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
C/01/420572 / FA RK 25-4457
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging op basis van Wvggz wegens gebrek aan psychische stoornis en afwezigheid van een voorziening in ander regime

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 21 november 2025 uitspraak gedaan over een verzoek tot zorgmachtiging op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank heeft vastgesteld dat de betrokkene, die lijdt aan een verstandelijke beperking en een psychotische stoornis in remissie, niet voldoet aan de voorwaarden voor een zorgmachtiging zoals vereist in artikel 3:3 Wvggz. De rechtbank concludeert dat het gedrag van de betrokkene niet het gevolg is van een psychische stoornis, wat een vereiste is voor het verlenen van een zorgmachtiging. De rechtbank heeft ook overwogen dat er geen zicht is op een plek voor de betrokkene in een ander regime, wat betekent dat er geen mogelijkheid is voor een overbruggingsmachtiging. De rechtbank heeft het verzoek van de officier van justitie om een zorgmachtiging voor twaalf maanden afgewijzen, omdat er geen basis is voor een zorgmachtiging en er geen voorziening beschikbaar is in een ander regime. De rechtbank heeft begrip voor de situatie van de betrokkene, maar ziet juridisch geen andere mogelijkheid dan het verzoek af te wijzen. De beslissing is openbaar uitgesproken en de rechtbank heeft aangegeven dat tegen deze beschikking het rechtsmiddel van cassatie openstaat.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/420572 / FA RK 25-4457
Datum uitspraak: 21 november 2025
Beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
verblijvend te [verblijfplaats] ,
advocaat: mr. J.M.C. van Gorkum uit 's-Hertogenbosch.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 4 november 2025.
1.2.
De zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2025. Daarbij zijn gehoord:
  • betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [zorgverantwoordelijke] , zorgverantwoordelijke;
  • [verpleegkundig specialist] , verpleegkundig specialist;
  • [zaakwaarnemer] , zaakwaarnemer;
  • [broer/mentor] , broer en tevens mentor van betrokkene.

2.Wat vaststaat

2.1.
De rechtbank heeft een machtiging verleend tot en met 21 november 2025. Betrokkene verblijft met deze machtiging in een accommodatie van GGzE.

3.Het verzoek

3.1.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank wijst de gevraagde machtiging af. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
4.2.
Uit de medische verklaring blijkt dat er sprake is van een verstandelijke beperking en een psychotische stoornis in remissie. In de medische verklaring wordt ook opgemerkt dat tijdens het onderzoek geen psychotische symptomen zijn waargenomen. Dat heeft de rechtbank voor de vraag gesteld wat de voorliggende problematiek van betrokkene is. Uit de medische verklaring lijkt te kunnen worden afgeleid dat dit de verstandelijke beperking van betrokkene is en dat het gedrag niet het gevolg is van een psychische stoornis, wat voor een zorgmachtiging wel is vereist op basis artikel 3:3 Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Dit volgt ook uit het zorgplan, nu daarin staat geschreven dat
“Het gedrag dat voortvloeit uit een psychische stoornis,in dit geval een verstandelijke beperking, leidt tot (dreigend) ernstig nadeel (…).”Verder staat daarin:
“Het (dreigend) ernstig nadeel voor betrokkene bestaat uit maatschappelijke teloorgang en gevaar voor zichzelfals gevolg van zijn verstandelijke beperking.”.
4.3.
De rechtbank betrekt bij haar oordeel verder dat het al ten tijde van de zitting en de uitspraak van 21 mei 2025 voor de behandelaars de vraag was of een zorgmachtiging of een rechterlijke machtiging nodig was. Destijds is aangegeven dat ze middels een zorgmachtiging verdere diagnostiek willen toepassen en daarna kijken wat de beste plek voor betrokkene is. Ter zitting is verklaard door de zorgverantwoordelijke dat het diagnostisch onderzoek naar betrokkene nagenoeg is afgerond en dat blijkt dat de actuele zorgbehoefte wordt bepaald door de verstandelijke beperking van betrokkene. Dat betekent dat er niet om een zorgmachtiging op grond van de Wvggz, maar om een rechterlijke machtiging op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd) had moeten worden verzocht. Het verzoek dient om die reden te worden afgewezen.
4.4.
De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de zorgmachtiging op basis van de uitspraak van de Hoge Raad van 7 juli 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1063) voor een korte periode te verlenen. De Hoge Raad heeft in deze uitspraak overwogen dat aangenomen moet worden dat het belang van continuïteit van zorg in een vertrouwde omgeving kan meebrengen dat voor een betrokkene een machtiging wordt verleend onder het regime van zijn vertrouwde omgeving, dus de instelling waar hij verblijft,
indien het verlenen van die machtiging bijdraagt aan een soepele overplaatsing van de betrokkene naar (een instelling met) het andere regime. Dit is echter slechts toelaatbaar indien de machtiging wordt verleend met het oog op een reeds voorziene overgang van betrokkene naar een instelling met het andere regime en voor een daarop toegesneden beperkte duur (een overbruggingsmachtiging).
4.5.
Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. Daarvoor is allereerst van belang dat ter zitting is gebleken dat er geen plek voor betrokkene beschikbaar is in het andere regime, noch dat hij op een wachtlijst daarvoor staat. Van een voorziene overgang is dus geen sprake en het verlenen van de zorgmachtiging zou dus niet bijdragen aan een soepele overgang. Ter zitting is verder toegelicht dat er met behulp van GGZ Oost-Brabant, welke organisatie verantwoordelijk is voor betrokkene, wordt gezocht naar een setting waar betrokkene beschermd kan wonen. Hoewel iedereen dat betrokkene gunt, is ter zitting ook gebleken dat GGZ Oost-Brabant zoekt naar een plek waar mensen met psychiatrische problematiek verblijven, dus hetzelfde regime, om van daaruit verder te zoeken naar een locatie met het juiste regime. Ook gelet daarop kan een overbruggingsmachtiging niet bijdragen aan een soepele overgang naar het juiste regime, nog daargelaten dat deze niet voor een daarop toegesneden beperkte duur zou kunnen worden verleend, zoals de Hoge Raad vereist.
4.6.
De rechtbank heeft begrip voor de situatie van betrokkene en spreekt de hoop uit dat de personen rondom hem zich zullen inzetten om ervoor te zorgen dat hij zo spoedig mogelijk op een goede plek terecht komt, maar ziet juridisch geen andere mogelijkheid dan het verzoek af te wijzen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat, zoals ook volgt uit de conclusie van de Procureur-Generaal van 28 februari 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:232), de Wvggz geen bepaling kent die vergelijkbaar is met artikel 38 lid 10 Wzd.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 november 2025 door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van de griffier en op schrift gesteld op 21 november 2025.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.