ECLI:NL:RBOBR:2025:8889

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
WR 25-036
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in jeugdzorgzaak

Op 16 december 2025 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant het wrakingsverzoek van een verzoeker afgewezen. Het verzoek was gericht tegen mr. G. Aarts, de rechter in een jeugdzorgzaak betreffende de minderjarigen kinderen van verzoeker en zijn ex-partner. Verzoeker stelde dat hij niet over alle stukken beschikte, waardoor hij geen adequaat verweer kon voeren. Hij meende dat de rechter hiermee zijn recht op een eerlijk proces had geschonden, in strijd met verschillende wettelijke bepalingen. De rechter heeft echter aangegeven dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangedragen die wijzen op vooringenomenheid. De wrakingskamer oordeelde dat de beslissing van de rechter om de inhoudelijke behandeling voort te zetten een procesbeslissing was en geen grond voor wraking kon vormen. De wrakingskamer concludeerde dat er geen aanwijzingen waren voor partijdigheid van de rechter en wees het verzoek af. Bovendien werd vastgesteld dat verzoeker in het verleden meerdere ongefundeerde wrakingsverzoeken had ingediend, wat leidde tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. De rechtbank besloot daarom dat toekomstige wrakingsverzoeken in deze zaak niet meer in behandeling zouden worden genomen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OOST-BRABANT

Wrakingskamer
zaaknummer: WR 25-036
Beslissing van 16 december 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. G. Aarts,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het proces-verbaal van 27 november 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld
  • de schriftelijke reactie van de rechter van 1 december 2025
  • de e-mail van verzoeker aan Familiezaken Jeugd van deze rechtbank van 28 november 2025, welke e-mail verzoeker op 11 december 2025 ook heeft gestuurd naar de wrakingskamer
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 11 december 2025.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/01/420049 / JE RK 25-1398 van Stichting Jeugdbescherming Brabant over de minderjarigen kinderen van verzoeker en zijn ex-partner. De kinderrechter heeft verzoeker en de moeder van de kinderen aangemerkt als belanghebbenden. Op 27 november 2025 heeft er een mondelinge behandeling plaatsgevonden in deze zaak. Deze mondelinge behandeling had onder andere betrekking op de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de kinderen en de vraag of de gecertificeerde instelling moet worden vervangen.
2.2.
Verzoeker heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling bij de wrakingskamer, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoeker aangegeven dat hij niet over alle stukken beschikt, doordat de gecertificeerde instelling niet het volledige dossier aan verzoeker heeft gegeven. Verzoeker kon daardoor geen (goed) verweer voeren. Dit heeft verzoeker tijdens de zitting tegen de rechter gezegd, maar desondanks heeft de rechter besloten de inhoudelijke behandeling door te laten gaan. De rechter heeft hiermee het recht van verzoeker op wederhoor en het recht op een eerlijk proces voor verzoeker ontnomen. Dit is in strijd met artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: RV), de artikelen 19 en 8.2 van de Jeugdwet en de artikelen 4:7 en 3:2 van de Algemeen wet bestuursrecht, aldus verzoeker.
2.3.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. De rechter geeft onder andere aan dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden noemt, waaruit blijkt dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen is of de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Er is volgens de rechter geen sprake van schending van het recht op hoor en wederhoor of het recht op een eerlijke proces of schending van de door verzoeker genoemde artikelen.

3.De beoordeling

Het wrakingsverzoek
3.1.
Op grond van artikel 36 Rv kan een rechter alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
De beslissing van de rechter om de inhoudelijk behandeling van de zaak door te laten gaan, ondanks het bezwaar van verzoeker, is een procesbeslissing. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een dergelijke procesbeslissing geen grond kan vormen voor wraking. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van een procesbeslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Een dergelijke beslissing kan alleen leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als die beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten - bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen - niet anders kan worden begrepen dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).
3.3.
Van zulke omstandigheden is de wrakingskamer niet gebleken. In wat verzoeker
heeft aangevoerd en de aantekeningen van wat er op de zitting is besproken ziet de
wrakingskamer geen aanleiding voor het oordeel dat de rechter vooringenomen is of dat sprake is van de schijn van partijdigheid. Bij het wrakingsverzoek zijn ook overigens geen
concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit de wrakingskamer de
vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor kan
afleiden.
3.4.
Het wrakingsverzoek zal gelet op het voorgaande worden afgewezen.
3.5.
De wrakingskamer overweegt aanvullend het volgende. In zijn e-mail van 28 november 2025 geeft verzoeker aan dat de rechter, na het verzoek tot wraking, alsnog een (inhoudelijke) beslissing heeft genomen door de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing die op 28 november 2025 zouden verlopen met drie weken te verlengen. Artikel 37 lid 5 Rv bepaalt inderdaad dat aanstonds na een verzoek tot wraking de behandeling wordt geschorst. Onverkorte toepassing van art. 37 lid 5 Rv kan echter in verband met de bijzondere omstandigheden van het geval in strijd komen met andere wettelijke bepalingen of fundamentele rechtsbeginselen en hiermee gediende belangen. Volgens vaste jurisprudentie kunnen de eisen van een goede procesorde daarom meebrengen dat de rechter van wie wraking is verzocht, in de zaak handelingen mag verrichten of beslissingen mag nemen die geen uitstel dulden. Ook hiervoor geldt dat het niet aan de wrakingskamer is om te beoordelen of de verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing voor de duur van drie weken een beslissing is die geen uitstel duldde en waarbij de beslissing op het wrakingsverzoek niet kon worden afgewacht. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
Misbruik van het wrakingsmiddel
3.6.
Verzoeker heeft in deze procedure meerdere wrakingsverzoeken gedaan die niet zijn gehonoreerd/die feitelijke onderbouwing missen en die hebben geleid tot onredelijke vertraging van de rechtspleging. Naar het oordeel van de rechtbank gebruikt verzoeker, hoewel dit door verzoeker tijdens de mondelinge behandeling is ontkend, het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De rechtbank zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer
4.1.
wijst het verzoek tot wraking af,
4.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.
Deze beslissing is gegeven door mr. J. Iding, voorzitter, mr. F.E. Roll en mr. E.C.P.M. Valckx in tegenwoordigheid van de griffier en in openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.