ECLI:NL:RBOBR:2025:8884

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
C/01/414231 FA RK 25-1333
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie in het kader van gemeentelijke schuldregeling met betrekking tot de draagkracht van de vader

In deze zaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 17 november 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot wijziging van kinderalimentatie. De vader, vertegenwoordigd door advocaat mr. R.P.V.W. Willems, verzocht om de kinderalimentatie met ingang van 17 maart 2025 op nihil te stellen, omdat hij door een hoge schuldenlast geen draagkracht meer zou hebben. De moeder, vertegenwoordigd door advocaat mr. M.T. Kouwenhoven, verzet zich tegen dit verzoek en stelt dat er geen relevante wijziging van omstandigheden is die de vader in staat zou stellen om de alimentatie niet meer te betalen. De rechtbank heeft de situatie van de vader beoordeeld, waarbij werd vastgesteld dat hij aanzienlijke schulden heeft en onder gemeentelijke schuldhulpverlening valt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vader een minimale draagkracht heeft van € 50 per maand, wat betekent dat hij € 25 per kind per maand aan de moeder moet betalen voor de duur van de schuldhulpverlening. De rechtbank heeft de alimentatie voor de duur van de schuldhulpverlening vastgesteld, met de mogelijkheid dat deze herleeft na afloop van het traject. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de alimentatie onmiddellijk betaald moet worden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familierecht
Zaaknummer: C/01/414231 FA RK 25-1333
Kinderalimentatie
Beschikking van 17 november 2025
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. R.P.V.W. Willems,
e n
[verweerster],
wonende in [plaatsnaam],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.T. Kouwenhoven.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift van de vader met bijlagen 1 tot en met 11, ingediend op
2 april 2025;
het verweerschrift van de moeder met bijlagen 1 tot en met 7;
het bericht van de moeder van 15 september 2025 met bijlage 8;
het bericht van de vader van 9 oktober 2025 met bijlagen 12 tot en met 17.
1.2.
Het verzoek en verweer zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van
21 oktober 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt. Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
de moeder, bijgestaan door haar advocaat.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is de vader in de gelegenheid gesteld de rechtbank nader te informeren over zijn (financiële) situatie. De vader heeft daar gebruik van gemaakt en op 29 (aangevuld op 30) oktober 2025 een brief van zijn budgetbeheerder overgelegd. De moeder heeft op dezelfde data op die brief gereageerd.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
De vader en de moeder zijn de ouders van:
  • [minderjarige 1], geboren op [datum];
  • [minderjarige 2], geboren op [datum].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan ingeschreven op het adres van de moeder.
2.2.
Op 16 augustus 2019 heeft de rechtbank beslist dat de vader een bedrag van € 250 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Geïndexeerd naar 2025 is dat per maand € 315 per kind.
Wat ligt voor?
2.3.
De vader wil dat de vastgestelde kinderalimentatie met ingang van 17 maart 2025 op nihil wordt gesteld, dan wel met ingang van een datum die de rechtbank in goede justitie zal bepalen. De vader stelt dat hij vanwege zijn schuldenlast geen draagkracht heeft om de bijdrage te voldoen.
2.4.
De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wil dat de vader niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzoek of dat het verzoek wordt afgewezen. Zij vindt dat er geen sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden waardoor de vader de kinderalimentatie niet meer kan betalen. In elk geval is zijn schuldenlast vermijdbaar en verwijtbaar.

3.De beoordeling

conclusie
3.1.
De rechtbank zal beslissen dat de vader vanaf 2 april 2025 een kinderalimentatie van € 25 per kind per maand aan de moeder moet betalen voor de duur van de schuldhulpverlening van de gemeente. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekening die de rechtbank heeft gemaakt, is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekening rondt de rechtbank af op hele euro’s.
reden voor de wijziging
3.2.
De rechtbank kan de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. [1] Dat is hier het geval, want aan de zijde van de vader zijn (problematische) schulden ontstaan. Zoals hierna uit de te bespreken berekening blijkt, zijn deze wijzigingen ook rechtens relevant.
ingangsdatum
3.3.
De wet [2] laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
3.4.
Hier hanteert de rechtbank 2 april 2025 als ingangsdatum, omdat dit de datum is waarop het verzoekschrift door de vader is ingediend. Vanaf deze datum had de moeder rekening kunnen houden met een wijziging in de vastgestelde bijdrage.
behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
3.5.
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Verder wordt rekening gehouden met het aantal kinderen dat tot het gezin behoort.
3.6.
De vader stelt dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2015 in totaal € 677 per maand bedroeg. De moeder heeft aangegeven zich in de hoogte van deze behoefte te kunnen vinden. Ook de rechtbank zal van deze behoefte uitgaan omdat zij geen aanleiding heeft om daar anders over te oordelen. Geïndexeerd naar 2025 is dit € 912,04 (€ 456,02 per kind) per maand.
draagkracht ouders
3.7.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien. [3]
3.8.
Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Bij die methode kijkt de rechtbank naar wat er van het inkomen van een ouder overblijft nadat de noodzakelijke lasten zijn betaald. Aan de inkomstenkant rekent de rechtbank met het netto besteedbaar maandinkomen (NBI) van een ouder. Aan de uitgavenkant rekent zij met een woonbudget van 30% van het NBI en een forfaitair bedrag voor vaste lasten. Dat forfaitaire bedrag is gebaseerd op de bijstandsnorm. Daarnaast kan de rechtbank ook rekening houden met eventuele overige lasten. Die lasten moeten dan niet verwijtbaar en niet vermijdbaar zijn. Alle uitgaven vormen met elkaar het ‘draagkrachtloos inkomen’. Het NBI verminderd met het draagkrachtloos inkomen leidt tot de ‘draagkrachtruimte’. Van de draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen. In dit geval ziet die berekening er als volgt uit:
70% [NBI – (NBI X 0,3 + 1310)].
draagkracht vader
3.9.
Voor het bepalen van de draagkracht van de vader rekent de rechtbank op basis van de overlegde salarisspecificatie over periode 2025-8 met een loon voor loonheffing van afgerond € 3.371 per vier weken. Dit bedrag wordt vermeerderd met een Tijdsspaarfonds (dagen) van € 233,38, Tijdsspaarfonds (duurzame inzetbaarheid) van € 147,54 en Tijdspaarfonds (vakantiegeld) van € 288,35. Hierop wordt ingehouden een premie ouderdomspensioen van € 209,21 bruto, een premie arbeidsongeschiktheidspensioen van € 2,23 bruto en een premie WHK van € 14,35 netto. Het NBI is dan € 3.204.
3.10.
Volgens de hiervoor vermelde methode heeft de vader een draagkracht van € 653 per maand. [4]
schulden
3.11.
De vader stelt dat hij geen draagkracht heeft omdat hij schulden heeft. Uit het schuldenoverzicht van 12 maart 2025 blijkt dat de vader ruim € 254.500 aan schulden heeft openstaan. Zo heeft de vader schulden bij onder andere de belastingdienst, ABN-AMRO en BNP Paribas Leasing Solutions. Ter zitting heeft de vader de situatie rondom zijn schulden toegelicht. Zo is hij achtergebleven met schulden na het vertrek van een compagnon, waarvan nu blijkt dat hij die ten onrechte vertrouwde. De vader bleef achter met contracten en daaruit voortkomende schulden.
3.12.
Uit het bericht van de budgetbeheerder van 28 oktober 2025 blijkt het volgende. In april 2024 heeft de vader zich via de gemeente tot hem gewend en hulp gevraagd bij zijn financiën. Dat heeft ertoe geleid dat zijn financiën vanaf dat moment worden beheerd door VDO Bewind. Zo worden de inkomsten van de vader ontvangen op een beheerrekening, ontvangt de vader € 100 leefgeld per week, wordt er geld gereserveerd voor de schuldeisers en wordt er toegewerkt naar een schuldregeling. Op 27 februari 2025 is met de gemeentelijke schuldhulpverlening een schuldregelingsovereenkomst getekend. Dit is nog niet de datum dat het schuldtraject start, alleen dat er een overeenkomst met de gemeente is voor schuldhulpverlening. Op het moment dat de aanvraag door de gemeentelijke kredietbank wordt geaccepteerd moet er een initiële afdracht plaatsvinden op basis van de berekening door de gemeentelijke kredietbank (GKB). In het geval van de vader is er op 11 juni 2025 een eerste afdracht gedaan, waarna maandelijks aan de GKB is afgedragen. Deze afdracht wordt gedaan op basis van een afdracht boven het vrij te laten bedrag (VTLB). De GKB gaat een voorstel doen aan de schuldeisers voor een Minnelijke Schuldregeling Natuurlijke Personen (MSNP) op het moment dat er duidelijkheid is over de verzochte nihilstelling van de kinderalimentatie. Als dat voorstel door de schuldeisers wordt geaccepteerd is het MSNP-traject afgerond in januari 2027. Na de schone lei kan de alimentatieverplichting weer worden hervat. Als de schuldeisers niet akkoord gaan, kan het zijn dat er een dwangakkoord moet worden aangevraagd of een traject via de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP).
3.13.
De moeder is het niet eens met het verzoek van de vader. Zij vindt het onvoorstelbaar dat de vader voor een tweede maal in de problemen is geraakt en wederom, kort na een eerdere schone lei, met torenhoge schulden kampt. De schulden die hij heeft gemaakt zijn verwijtbaar en vermijdbaar. Zij vindt dat er andere “potjes” zijn die te gelden gemaakt kunnen worden, zoals het staken van pensioenpremies en het afschaffen van de leaseauto. Daarnaast zou het vakantiegeld dat de vader ontvangt moeten worden aangewend voor de kinderen. De moeder kan zich niet aan de indruk onttrekken dat op zeer lichtvaardige wijze besloten is dat er niet genoeg middelen waren om de alimentatietermijnen te voldoen. De belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onvoldoende meegewogen. De vouw heeft het financieel niet breed. Het is voor haar elke dag een gevecht om rond te komen, ook omdat de kosten van de verzorging van de kinderen extra hoog zijn. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben namelijk beide forse lichamelijke beperkingen en hebben intensieve zorg nodig. Zo is [minderjarige 1] extra gevoelig voor epilepsie en is er recent een functionele neurologische stoornis geconstateerd waardoor zij kampt met diverse beperkingen die zeer plotseling kunnen optreden, zoals uitval van de benen, praat- en slikproblemen, tremors, benauwdheid, pijn op de borst, wazig zicht en hitteaanvallen of het extreem koud hebben. Hierdoor is [minderjarige 1] afhankelijk van een kiep- en rolstoel. [minderjarige 2] heeft autisme, TOSS en een ernstig verkort darmsyndroom. Hierdoor kan hij niet op de gebruikelijke wijze voeding tot zich nemen en is hij ook afhankelijk van een rolstoel. De moeder wordt geconfronteerd met medische kosten die niet vergoed worden. Hierbij benadrukt de moeder dat zij de zorg voor de kinderen alleen draagt zonder enige hulp. Het is voor haar daarom niet mogelijk om nog meer te werken dan zij al doet.
3.14.
De rechtbank overweegt als volgt. Met uitzondering van bijzondere omstandigheden beschikt een onderhoudsplichtige niet over draagkracht gedurende de tijd dat de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. [5] Dit geldt echter niet zonder meer op de gevallen wanneer de onderhoudsplichtige van de gemeenteschuldhulpverlening ontvangt, zoals hier het geval. [6] Vaststaat dat de schuldenlast bij de vader zo hoog is dat hij zonder schuldhulpverlening niet binnen een redelijke termijn van deze schulden af kan komen. De rechtbank zal daarom met deze schulden rekening houden, maar ziet geen aanleiding om de bijdrage op nihil te stellen. Zo staat tussen partijen vast dat de kinderen zeer hulpbehoevend zijn en dat de moeder de (intensieve) zorg voor de kinderen alleen draagt en is het aannemelijk dat die zorg extra kosten met zich brengt. De rechtbank bepaalt daarom dat de vader een minimale draagkracht heeft van € 50 per maand (€ 25 per kind). Ook omdat uit de VLTB-berekening blijkt dat de vader jaarlijks maximaal € 821,44 van zijn vakantiegeld zelf mag houden en de budgetbeheerder dat, desgevraagd, ook heeft bevestigd. De bijdrage aan de kinderen kan de vader volledig uit dit bedrag voldoen. De rechtbank ziet geen aanleiding om al vooruit te lopen op de mogelijkheden van de vader als de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing wordt verklaard. Dit betreft nog een onzekere gebeurtenis en het is in die situatie aan de rechter(commissaris) om te beoordelen of er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om rekening te houden met de door de vader te betalen kinderalimentatie.
draagkracht moeder en zorgkorting
3.15.
Het geschil tussen de ouders ziet op de draagkracht van de vader. Het staat vast dat de ouders samen niet genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen. Ook staat vast dat een zogenaamde ‘draagkrachtvergelijking’ hier niet aan de orde is omdat er een (fors) tekort is aan draagkracht. Om dezelfde reden past de rechtbank geen zorgkorting toe. Dit betekent dat de vader een bedrag van € 25 per kind per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen.
duur van de verlaagde kinderalimentatie
3.16.
De rechtbank zal de kinderalimentatie alleen voor de duur van de schuldhulpverlening van de gemeente op € 25 per kind per maand stellen. Dit betekent dat na afloop van dit schuldhulpverleningstraject de oorspronkelijke kinderalimentatie herleeft. Het is daarbij aan de vader om de moeder op de hoogte te houden van het verloop van het traject.
3.17.
Als de vader wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering, dan geldt de verlaagde kinderalimentatie tot het einde van de schuldsaneringsregeling, tenzij de rechter-commissaris anders beslist.
alimentatie terugbetalen
3.18.
De moeder hoeft de te veel ontvangen kinderalimentatie niet terug te betalen, omdat die kinderalimentatie al is uitgegeven aan de kinderen.
alimentatie vooruitbetalen
3.19.
De vader moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand vooraf betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.
uitvoerbaar bij voorraad
3.20.
De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de kinderalimentatie betaald moet worden, ook al wordt er hoger beroep ingesteld.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijzigt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie, zoals die was vastgelegd in de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 16 augustus 2019, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 2 april 2025 € 25 per kind per maand bedraagt voor de duur van de schuldhulpverlening door de gemeente, als ook – indien de vader wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering- voor de duur van dat traject tenzij de rechter-commissaris dan anders beslist;
4.2.
bepaalt dat de vader deze alimentatie wat de toekomstige termijnen betreft steeds vóór de eerste van de maand vooraf moet betalen;
4.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst de verzoeken voor het overige af.
Dit is de beslissing van rechter mr. M.P den Hollander, tot stand gekomen in samenwerking met A.R. Beeren, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in ‘s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage:
Bijlage 1: berekening NBI en draagkracht van de vader.

Voetnoten

1.Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2.Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek.
3.Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4.Bijlage 1: berekening NBI en draagkracht van de vader.
5.HR 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7589.
6.HR 8 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:340.