ECLI:NL:RBOBR:2025:8334

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
25/40 en 25/1684
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom en invorderingsbesluit wegens met het bestemmingsplan strijdige activiteiten door de aanwezigheid van een grondverzetbedrijf

Op 22 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende een last onder dwangsom en een invorderingsbesluit. De eisers, een groep bewoners, waren het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom vanwege met het bestemmingsplan strijdige activiteiten door de aanwezigheid van een grondverzetbedrijf. De rechtbank heeft vastgesteld dat de last terecht was opgelegd en dat het invorderingsbesluit ook rechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat de eisers niet konden aantonen dat er geen overtreding was en dat de opgelegde dwangsom van € 25.000,- niet onevenredig was. De rechtbank heeft de beroepsgronden van de eisers verworpen en het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak benadrukt het belang van handhaving van bestemmingsplannen en de bevoegdheid van het college om handhavend op te treden bij overtredingen. De eisers kregen geen gelijk en de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/40
SHE 25/1684

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

SHE 25/ [eisers] uit [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college,
(gemachtigden: mr. A. Verbroekken en mr. S. van Rooij).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. S.A. Oord).
SHE 25/1684
[eisers]uit [woonplaats] , eisers
(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Land van Cuijk, het college,
(gemachtigden: mr. A. Verbroekken en mr. S. van Rooij).

Als derde partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] te [woonplaats] ,

(gemachtigde: mr. S.A. Oord).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over een aan eisers [eisers] opgelegde (2e) last onder dwangsom -wegens met het bestemmingsplan strijdige activiteiten door de aanwezigheid van een grondverzetbedrijf van [naam] aan de [locatie] - en een daarmee samenhangend invorderingsbesluit. Eisers zijn het niet eens met deze besluiten. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat terecht de last is opgelegd en een invorderingsbesluit is genomen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 december 2024 op het bezwaar van eisers heeft het college de last onder dwangsom van 18 juli 2024 in stand gelaten en het verzoek om kostenvergoeding afgewezen.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dit beroep is geregistreerd onder SHE 25/40.
Bij primair besluit van 22 april 2025, gericht aan [eisers] , heeft het college besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom ad € 25.000,- (te vermeerderen met het bedrag aan wettelijke rente van € 857,80) over te gaan.
Tegen het besluit tot invordering hebben eisers bezwaar gemaakt.
Gelet op het bepaalde in artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep mede gericht tegen het besluit tot invordering. Het beroep is geregistreerd onder SHE 25/1684.
Het college heeft een verweerschrift inzake de last onder dwangsom ingediend.
Bij schrijven van 21 november 2025 heeft het college een verweerschrift inzake de invordering overgelegd.
Bij mail van 24 november 2025 hebben eisers een nadere reactie gegeven.
De rechtbank heeft het beroep in beide zaken op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] (eiser), de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3.1
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wettelijke regels zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.2.
Feiten
- Bij besluit van 1 juli 2019 is -naar aanleiding van een verzoek om handhaving- door het college aan eisers ( [eisers] ) een 1e last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het “Bestemmingsplan [locatie] ” gebruiken van de locatie [locatie] .
De last ziet op het staken van de illegale bewoning van de stagewoningen en het beëindigen van de aanwezigheid van het grondverzetbedrijf van [naam] , de zoon van eisers. Hierbij zijn eisers op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per week tot een maximum van € 15.000,- gelast de illegale bewoning te staken en, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per week tot een maximum van € 15.000,-, de aanwezigheid van een grondverzetbedrijf op het perceel [locatie] permanent te beëindigen en beëindigd te houden.
- Tegen de 1e last onder dwangsom is bezwaar gemaakt.
- Bij besluit op bezwaar van 16 maart 2020 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de last in stand gelaten. Hiertegen is geen beroep ingesteld zodat de last onder dwangsom onherroepelijk is.
- Op 18 mei 2020 en 27 juli 2020 zijn door een gemeentelijk toezichthouder controles uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan is geconstateerd dat € 3.000,- aan dwangsommen is verbeurd. Tegen de invordering daarvan is geen bezwaar gemaakt en eisers hebben het bedrag betaald.
- Bij primair besluit van 9 oktober 2023 is het college overgegaan tot het invorderen van verbeurde dwangsommen van in totaal € 12.000,-. Hiertegen is door eisers bezwaar gemaakt. Tegen het besluit op bezwaar van 14 februari 2024 is door eisers ( [eisers] ) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 februari 2025 (SHE 24/1455) heeft de rechtbank het beroep -tegen de invordering met rente van € 12.000,- aan dwangsommen- ongegrond verklaard.
- Op 6 februari 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente -tijdens een controle op het perceel [locatie] - geconstateerd dat op het perceel, in strijd met het bestemmings-plan, een groot en divers aantal zaken van het grondverzetbedrijf van de heer [naam] aanwezig was. De constateringen zijn opgenomen in een rapport d.d. 14 februari 2024.
- Bij schijven van 21 mei 2024 heeft het college aan eisers een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt.
- Op 2 juli 2024 heeft een toezichthouder vastgesteld dat op het perceel nog steeds een groot aantal zaken van het grondverzetbedrijf aanwezig was. De bevindingen van de toezichthouder zijn opgenomen in een constateringsrapport d.d. 2 juli 2024.
- Bij primair besluit van 18 juli 2024, verzonden op gelijke datum, heeft het college aan [eisers] een (2e) last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.1 lid 1 onder a. van de Omgevings-wet. Eisers worden gelast om de overtreding binnen 4 weken na verzending van het besluit te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan door op de locatie [locatie] niet langer materieel, materiaal, transportmiddelen, etc. van c.q. ten behoeve van het grondverzetbedrijf te parkeren en te stallen of op te slaan. Eisers dienen de betreffende zaken daarom te verwijderen en verwijderd te houden. Indien niet binnen de begunsti-gingstermijn aan de last wordt voldaan, wordt een dwangsom van € 25.000,- ineens verbeurd. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.
- Op 27 augustus 2024 heeft ter plaatse een controle plaatsgevonden waarvan op
26 september 2024 een constateringsrapport is opgemaakt.
- Met het thans bestreden besluit van 9 december 2024 heeft het college het bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard.
- Bij primair besluit van 22 april 2025, gericht aan [eisers] , heeft het college een invorderingsbesluit genomen.
- Bij uitspraak van 7 mei 2025 (nr. 202307238/1/R2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep van eisers ( [eisers] ) tegen het besluit van 29 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan “ [locatie] ” ongegrond verklaard.
Last onder dwangsom(SHE 25/40)
Hoorplicht
4. Eisers zijn van mening dat de wettelijke hoorplicht is geschonden.
Er heeft blijkbaar in het geheel geen hoorzitting plaatsgevonden. Reeds eerder is aangevoerd dat de gemachtigde van eisers geen kantoorgenoot heeft. Met de gevolgde gang van zaken wordt een normale procedure gefrustreerd.
Ter zitting heeft eisers gemachtigde desgevraagd aangegeven dat hij een eenmanszaak heeft en slechts een enkele keer een (2e) kantoorgenoot. Vanwege niet nader toe te lichten privé omstandigheden -een hoge uitzondering daargelaten- is hij niet bereid om op een doordeweekse avond bij een gemeentelijke hoorzitting te verschijnen. Op de hoorzitting had de gemachtigde een toelichting willen geven op hetgeen in de last ten onrechte als overtreding is opgesomd. Daartoe heeft hij nu geen gelegenheid gehad.
4.1
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift ter advisering is voorgelegd aan de Commissie voor de behandeling van bezwaarschriften. Op 19 november 2024 stond een hoorzitting gepland. Eisers gemachtigde heeft de Commissie een dag ervoor een afmelding toegezonden. De gemachtigde heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijk-heid om de zaak door een kantoorgenoot te laten waarnemen. Omdat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gemeld ten opzichte van gevoerde en lopende procedures zijn eisers door hun afwezigheid in redelijkheid niet in hun proces-belang geschaad. Omdat de Commissie geen vragen had voor de gemachtigde van het college is aan deze medegedeeld dat deze niet hoefde te verschijnen. De Commissie heeft op 2 december 2024 advies uitgebracht.
Ter zitting is door de gemachtigde aangegeven dat er op 19 november 2024 wel een hoorzitting heeft plaatsgevonden. Hoorzittingen vinden in beginsel altijd plaats op een dinsdagavond.
4.2
In het verweerschrift heeft het college aangegeven dat uit de hierover per e-mail gevoerde correspondentie volgt dat de gemachtigde geen redelijk verzoek heeft gedaan tot het uitstellen van de hoorzitting.
Bij mail van 17 november 2024 heeft eisers gemachtigde aangegeven dat hij de stukken en de uitnodiging pas op 15 november 2024 heeft ontvangen en op dinsdag een drietal andere verplichtingen had staan waaronder 2 zittingen. Het was daarom voor hem niet mogelijk om naar de hoorzitting te komen en voorts zou dat onvoorbereid zijn.
Bij e-mail van 18 november 2024 heeft de secretaris van de bezwaarschriftencommissie aan eisers gemachtigde, naar aanleiding van diens mail van 17 november 2024, een bericht toegezonden met daarin opgenomen dat de gemachtigde op 30 oktober 2024 een uitnodiging en stukken heeft ontvangen via e-mail voor de hoorzitting van 19 november 2024.
Op 7 november 2024 heeft de secretaris, ondanks het feit dat de stukken al waren verzonden en gebleken was van downloaden hiervan door geadresseerde, de stukken nogmaals aan de gemachtigde verzonden. De gemachtigde heeft dus eerder tijdig de stukken ontvangen maar niet tijdig een redelijk verzoek tot uitstel ingediend.
Niet wordt gevolgd dat de gemachtigde geen kantoorgenoot heeft. Op de website van het kantoor is te zien dat sprake is van 3 kantoorgenoten, waarvan één van hen bekend is met bestuursrecht.
4.3
Ingevolge artikel 7:2 van de Awb wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord alvorens door het college op het bezwaar wordt beslist. Gelet op het bepaalde in artikel 7:13 Awb geschiedt het horen, indien sprake is van een adviescommissie, door deze commissie.
4.4.
De wettelijke regeling over het horen van degene die bezwaar maakt staat het bestuurs-orgaan toe voor het houden van een hoorgesprek naar eigen inzicht een tijdstip en locatie hiervoor te bepalen. Deze vrijheid wordt begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaruit volgt dat rekening dient te worden gehouden met de redelijke belangen van betrokkene (lees: eisers en hun gemachtigde) en van het bestuursorgaan.
In voorkomende gevallen dienen die belangen tegen elkaar te worden afgewogen.
Is door de Commissie een hoorzitting gepland dan zal een redelijk verzoek van eisers en/of diens gemachtigde om uitstel daarvan in de regel dienen te worden ingewilligd. Een dergelijk verzoek kan alleen worden afgewezen als zwaarder wegende bij de behandeling van de zaak betrokken belangen aan zo’n uitstel in de weg staan (zie ook uitspraak ECLI:NL:HR:2022:1739).
4.5
De rechtbank ziet geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de weergave van de e-mailwisseling voorafgaande aan de hoorzitting en is van oordeel dat eisers gemachtigde, los van de vraag of al dan niet sprake is van een kantoorgenoot die hem voor de hoorzitting had kunnen vervangen, geen zodanig redelijk verzoek heeft gedaan dat dit voor de Commissie aanleiding had dienen te zijn tot uitstel en het opnieuw agenderen van de zaak op een nadere hoorzitting.
De stukken en de datum van de hoorzitting zijn tijdig (via e-mail op 30 oktober 2024) en ook erna herhaaldelijk aan eisers gemachtigde toegezonden, zodat hierin geen grond is gelegen voor het oordeel dat van een tijdige kennisgeving van de hoorzitting geen sprake was. Alstoen had door eisers gemachtigde tijdig om verplaatsing kunnen worden verzocht.
Het feitencomplex betreft grotendeels een herhaling van hetgeen reeds eerder onderwerp van een last is geweest zodat -ook bij latere kennisneming van de stukken- er geen grond is voor het oordeel dat van de mogelijkheid tot een zorgvuldige voorbereiding op de hoorzitting geen sprake was.
Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat onder deze omstandigheden het feit dat eisers gemachtigde vanwege privé omstandigheden niet bereid is om in de avond op een hoorzitting te verschijnen, niet als een redelijk argument voor een nadere hoorzitting geldt.
Aldus is geen sprake van schending van de hoorplicht dan wel een daarmee samenhangende onzorgvuldige voorbereiding/planning door de Commissie van de hoorzitting.
Eisers grief faalt derhalve.
Onafhankelijkheid Commissie
5. Eisers hebben tevens aangevoerd dat het advies weliswaar als kopje “Onafhankelijke Commissie” heeft maar dat dit niet wegneemt dat de commissie niet onafhankelijk is.
Ter zitting heeft eisers gemachtigde desgevraagd toegelicht dat hij zich op het standpunt stelt dat de commissie geen zelfstandige inbreng heeft in de agendering van de hoorzittingen. De door de gemeente betaalde commissie is een afgeleide van het college. Eiser is van mening dat de commissie -en niet het college- dient te bepalen of een hoorzitting doorgaat.
5.1
Het college heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de Commissie niet is gebonden aan het college inzake haar planning van hoorzittingen. Er is ook sprake van commissieleden die elders werkzaam zijn.
5.2
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:13 van de Awb bestaat de adviescommissie uit een voorzitter en tenminste 2 leden waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.
5.3
De rechtbank is niet gebleken dat aan het bepaalde in artikel 7:13 van de Awb niet wordt voldaan. Door eisers is alleen gesteld -maar niet aannemelijk gemaakt- dat geen sprake van een onafhankelijke commissie en dat het college -en niet de Commissie- de agendering van de hoorzittingen bepaalt.
Deze grief faalt.
Sprake van overtreding?
6. Eisers zijn voorts van mening dat van overtreding geen sprake is.
Op 6 februari 2024 was strijd met een bestemmingsplan niet meer mogelijk; wellicht met een omgevingsplan. De aanwezigheid van eigendommen van bewoners is geconstateerd, de omschrijving is onjuist; aldus is reeds om deze reden geen sprake van overtreding.
Bij de stukken bevindt zich een “Gentlemen’s Agreement”. Er is geen sprake van een overeenkomst. Los van artikel 9 hebben eisers ervoor zorg te dragen dat eigenlijk nooit een transportmiddel van de zoon zichtbaar is. Eisers doen dat onverplicht. Het perceel kent een legale planologische opslagmogelijkheid van 1.000 m2. Deze opslagmogelijkheid wordt nooit overschreden. Om de opslagmogelijkheid te bereiken is de inzet van bedrijfswagens van [naam] onontbeerlijk. Van strijd met het bestemmingsplan is dan geen sprake. Tegen bedrijfswagens van [naam] die in het zicht staan wordt door het college niet handhavend opgetreden.
Ter zitting heeft eisers gemachtigde aangevoerd dat met het parkeren van een werkbus van het grondverzetbedrijf op het perceel aan de [locatie] geen sprake is van een overtreding nu ter plaatse ingevolge het overgangsrecht van het bestemmingsplan een vrachtwagen is toegestaan. Indien het meerdere (een vrachtwagen) is toegestaan dan geldt dat zeker voor het mindere (de werkbus). Daarnaast is geen sprake van een overtreding voor zover dit ziet op de aanwezigheid van een gele container nu deze in gebruik is door het kinderdagverblijf dat ter plaatse is gevestigd. Ten aanzien van de overige objecten die ten grondslag liggen aan de last wordt gesteld dat dit privé-eigendom van [eiser] is.
6.1
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op het perceel vόόr 1 januari 2024 het bestemmingsplan “ [locatie] ” van kracht was. Thans is dit bestemmingsplan onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan. Op het perceel rust de bestemming “Maatschappelijk- Kinderdagverblijf” en de bestemming “Waarde-Archeologie-3”.
De toezichthouder heeft op 6 februari 2024 en op 2 juli 2024 geconstateerd dat verspreid over het perceel een groot en divers aantal zaken van het grondverzetbedrijf in strijd met het bestemmingsplan aanwezig was. De opslag hiervan is in strijd met de artikelen 3.1, 1.53 en 3.4.2 van het bestemmingsplan. Dat de vestiging van het bedrijf “ [naam] ” op een ander adres geregistreerd staat maakt dit niet anders.
Ter zitting heeft het college aangegeven dat de container wordt aangemerkt als zijnde een bedrijfscontainer. De werkbus is onderdeel van meerdere voertuigen die ter plaatse aanwezig waren. In het kader van het overgangsrecht is het alleen toegestaan dat de zoon er zijn vrachtwagen parkeert.
6.2
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, als uitgangspunt van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Bij handhavingsbesluiten geldt bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
6.3
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 heeft de gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die voor 1 januari 2024 golden (artikel 22.1 onder a Omgevingswet in samenhang met artikel 4.6 lid 1 Invoeringswet Omgevingswet).
Aldus is het bestemmingsplan “ [locatie] ” onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Bernheze. Het is derhalve terecht door het college -bij de vraag of ze bevoegd is een last onder dwangsom op te leggen- in aanmerking genomen.
6.4
Ter beoordeling van de rechtbank is of ingevolge artikel 5.1 van de Omgevingswet sprake is van een omgevingsplanactiviteit -handelen in strijd met het omgevingsplan “ [locatie] ” (vastgesteld 29 juni 2023 en in werking op 23 november 2023)- zonder een daarvoor vereiste omgevingsvergunning.
Tussen partijen is niet in geschil dat ter plaatse op het perceel de bestemming “Maatschappelijk- Kinderdagverblijf” geldt (artikel 3 planregels).
6.5
Voorafgaand aan het opleggen van de (2e) last heeft een toezichthouder ter plaatse tweemaal een controle gehouden, hetgeen is neergelegd in een constateringsrapport d.d. 14 februari 2024 en 2 juli 2024.
In de last onder dwangsom (het primaire besluit) is sprake van een opsomming van een aantal zaken die ten behoeve van het grondverzetbedrijf op het perceel aan de achterzijde van de loods zijn aangetroffen, te weten:
-een graafmachine met reclame ( [naam] );
-een werkbus rood met reclame ( [naam] );
-een aanhanger;
-diverse kruiwagens en trilplaten (deels met reclame [naam] );
-bakken en grijpers;
-straatbanden/straatwerk op pallets;
-een uitvlakker;
-rijplaten;
-een container geel met reclame ( [naam] ).
Het voorgaande is in de last als een overtreding aangemerkt. Eisers zijn gelast om op de locatie niet langer materieel, materiaal, transportmiddelen, et cetera ten behoeve van het grondverzetbedrijf te parkeren en te stallen of op te slaan.
6.6
Ingevolge artikel 3 lid 3.1 aanhef en onder e. van de planregels is op de voor “Maatschappelijk-Kinderdagverblijf” aangewezen gronden opslag als nevenactiviteit toegestaan. Ingevolge artikel 3.4.4. van de planregels mag opslag als nevenactiviteit niet meer bedragen dan 1.000 m2.
Gelet op artikel 1 (begrippen) van de planregels wordt onder opslag begrepen: binnenopslag van goederen, niet zijnde brand- en explosiegevaarlijke goederen, vrachtwagens en/of materieel ten behoeve van het grondverzetbedrijf.
Ingevolge artikel 3.4.2. van de planregels is het parkeren en stallen van materieel, materiaal, transportmiddelen, etc. ten behoeve van het grondverzetbedrijf niet toegestaan.
Uit de overgangsrechtelijke bepaling in artikel 14.2 onder e. van de planregels volgt dat
het parkeren van één transportmiddel van het grondverzetbedrijf -indien het gaat om woon-werkverkeer van [naam] - is toegestaan zolang hij ingeschreven staat op het adres [locatie] .
6.7
Ten aanzien van de gele container is naar het oordeel van de rechtbank bepalend dat enkel is gesteld -en door eisers niet nader onderbouwd- dat de gele container (alleen) wordt gebruikt ten behoeve van het ter plaatse toegestane kinderdagverblijf. Nu sprake is van een gele container met daarop reclame van het bedrijf [naam] heeft het college zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat deze aanwezig is ten behoeve van gebruik door het grondverzetbedrijf.
6.8
Dit geldt ook voor hetgeen overigens aan opslag is opgesomd in de last onder dwangsom. Niet aannemelijk is gemaakt dat deze privé-eigendom zijn van eiser [eiser] en dat ze (daarom) geen verband hebben met de exploitatie van het grondverzetbedrijf van zijn zoon. Gelet op de aard van deze objecten -en het feit dat deze niet kunnen worden geacht ten dienste te staan van de bestemming “Maatschappelijk- Kinderdagverblijf”- heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze zien op de bedrijfsvoering van [naam] .
6.9
Ten aanzien van het parkeren van de werkbus is van belang dat sprake is van daarop aangebrachte reclame van het grondverzetbedrijf zodat deze kan worden geacht ten dienste te staan van dit bedrijf. Ten aanzien van de grief van eisers dat deze (plaatsvervangend) is toegestaan nu een (veel grotere) vrachtwagen op grond van het overgangsrecht van het bestemmingsplan (thans: omgevingsplan) is toegestaan verdient opmerking dat het overgangsrecht alleen spreekt van “een transportmiddel”.
In het zogeheten gentlemen’s agreement wordt in artikel 9 weliswaar opgenomen dat aan de zoon zal worden toegestaan om gebruik te maken van 1 transportmiddel (zoals een vrachtwagen) in het kader van woon-werkverkeer maar -los van het feit dat het agreement niet ondertekend- is bepalend wat in het overgangsrecht (artikel 14.2 onder e.) van het bestemmingsplan is opgenomen. Hieruit volgt dat één transportmiddel van het grondverzetbedrijf ter plaatse is toegestaan. Er is niet expliciet aangegeven dat het om een vrachtwagen dient te gaan. De werkbus (voor woon- werkverkeer van de zoon) is dus toegestaan indien geen andere transportmiddelen van het grondverzetbedrijf op het perceel zijn gestald.
Uit de opsomming in het constateringsrapport d.d. 6 februari 2024 volgt dat ter plaatse, naast de in de last opgenomen werkbus geel/rood/wit met reclame ( [naam] ), ook nog sprake was van andere transportmiddelen ter plaatse (waaronder 2 vrachtwagens met reclame van [naam] ). Gelet hierop heeft het college aldus terecht in de last tevens de werkbus kunnen opnemen. Met de aanwezigheid hiervan is sprake van meer dan
één toegestaan transportmiddel.
6.1
Gelet op voornoemde planregels (artikel 1.53, artikel 3 lid 3.1 aanhef en onder f. en artikel 3.4.2) is het op het perceel niet toegestaan om buitenopslag (en binnenopslag) ten behoeve van het grondverzetbedrijf te hebben. Dat het bestemmingsplan binnenopslag als nevenactiviteit toestaat tot 1.000 m2 kan eisers niet baten omdat opslag ten behoeve van het grondverzetbedrijf in artikel 1.53 van de planregels is uitgezonderd. Voorts is van belang dat artikel 3.2.4 van de planregels parkeren en stallen (buiten) ten behoeve van het grondverzetbedrijf uitzondert.
Ingevolge het overgangsrecht is voorts slechts één transportmiddel ten behoeve van het grondverzetbedrijf toegestaan.
6.11
Gelet op het vorenoverwogene heeft het college zich aldus terecht bevoegd kunnen achten tot het opleggen van een last onder dwangsom nu de activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan en hiervoor geen omgevingsvergunning is verleend.
Van concreet zich op legalisatie is geen sprake en ook anderszins is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan van het opleggen van een last had dienen te worden afgezien. Dat sprake is van ongelijke behandeling, te weten dat tegen in het zicht geparkeerde bedrijfswagens van [naam] , niet handhavend wordt opgetreden is niet gebleken.
Hoogte dwangsom
7. Ter zitting hebben eisers zich tevens op het standpunt gesteld dat de last onder dwangsom met een bedrag van € 25.000,- ineens onevenredig hoog is, mede gelet op het (totaal-)bedrag in de 1e last onder dwangsom. De 1e last onder dwangsom zag daarnaast ook tevens op bewoning.
7.1
Het college heeft ter zitting aangegeven dat de dwangsom van € 25.000,- ineens geen exorbitant bedrag is ten opzichte van de eerdere last waarbij voor het grondverzetbedrijf een bedrag van € 15.000,- aan dwangsommen is opgelegd. Het bewonen van de stagewoningen is (eerder) beëindigd. Omdat de eerdere last (het gebruik van het perceel door het grondverzetbedrijf) geen effect heeft gehad is thans besloten over te gaan tot het opleggen van een dwangsom van € 25.000,- ineens.
7.2
Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat het opleggen van een last onder dwangsom ten doel heeft de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Om dit doel te bereiken kan de hoogte van het bedrag worden afgestemd op het financiële voordeel dat een overtreder kan verwachten bij het niet naleven van deze regels. Van de dwangsom moet zo’n prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:343. Hoofdregel is dus dat de dwangsom een prikkel vormt tot naleving.
7.3
De rechtbank stelt vast dat de 1e last onder dwangsom weliswaar -naast de activiteiten van het grondverzetbedrijf- tevens zag op illegale bewoning op het perceel maar dat voor beide onderdelen alstoen met de (1e) last een afzonderlijke dwangsom van € 1.500,- per week tot een maximum van € 15.000,- is opgelegd. Voor ieder onderdeel apart kon dus maximaal € 15.000,- worden verbeurd.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de conclusie dat de 1e last op dit onderdeel niet het beoogde effect heeft gehad. Ter plaatse is nog steeds gebruik ten behoeve van [naam] aan de orde.
Omdat van het opleggen van een dwangsom een prikkel dient uit te gaan heeft het college in redelijkheid een last van € 25.000,- ineens kunnen opleggen. Van een onevenredige verhoging ten opzichte van het eerder opgelegde maximum van in totaal € 15.000,- is geen sprake.
Invordering(SHE 25/1684)
8. Eisers zijn van mening dat is voldaan aan de last zodat er geen grondslag tot invordering is. Van een overtreding van het bestemmingsplan en/of de last is geen sprake. Het grondverzetbedrijf is op een heel andere locatie gevestigd.
Ter plekke worden geen andere auto’s en/of materieel geparkeerd/gestald dan te relateren aan de bestemmingen. Onderdeel hiervan is de bedrijfs-/woonsituatie van de bewoners.
Dit betekent dat het niet in strijd is met de bestemming als één van de bewoners ter plaatse enkele van zijn objecten stalt die anders bedrijfsmatig worden benut.
Eisers zijn voorts van mening dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Niet nader is geconcretiseerd waarom het algemeen belang is geschonden. Belangen van derden worden niet geschaad.
Ter zitting is aangevoerd dat ter plaatse alleen opslag als nevenactiviteit plaatsvindt zodat van verbeuring geen sprake is.
8.1
Namens de heer [naam] is apart bezwaar gemaakt (lees: beroep van rechtswege ingesteld) tegen het invorderingsbesluit. Deze persoon is geen partij in de procedure rond de last onder dwangsom. Namens deze partij wordt apart aanspraak gemaakt op kosten bezwaarfase. Er is geen besloten vennootschap aangeschreven. Hetgeen bij huis wordt geparkeerd is privé eigendom. Belettering speelt geen rol en is niet ruimtelijke relevant.
8.2
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat op 27 augustus 2024 een controle heeft plaatsgevonden waarbij is geconstateerd dat overtreding nog steeds aan de orde was.
Ter plaatse is een groot en divers aantal zaken van het grondverzetbedrijf aangetroffen. Verwezen wordt naar de inhoud van het op 26 september 2024 opgemaakte controlerapport.
De aangetroffen zaken worden (grotendeels) gebruikt in de dagelijkse bedrijfsvoering van het grondverzetbedrijf van de heer [naam] . Ook het ten tijde van de controle arriveren met en parkeren van een dieplader, het komen en gaan van een kraan, de aanwezigheid van een diesel opslagtank en de op de locatie aanwezige auto’s van het personeel van het grondverzetbedrijf duiden op activiteiten/bedrijfsvoering van het grondverzetbedrijf. Gezien de bevindingen van de toezichthouder is de overtreding niet beëindigd. Als gevolg daarvan is op 27 augustus 2024 van rechtswege een dwangsom van
€ 25.000,- ineens verbeurd.
Ter zitting is door de gemachtigde aangegeven dat dit bedrag niet exorbitant is ten opzichte van de eerdere last onder dwangsom waarbij sprake was van een maximum van € 15.000,-.
8.3
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden
kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
Verder kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is begaan en/of betrokkene geen overtreder is.
8.4
Aan een invorderingsbesluit dient een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal.
8.5
Op 27 augustus 2024 heeft een gemeentelijk toezichthouder ter plaatse op het perceel [locatie] een controle uitgevoerd.
Met eiser ( [eiser] ) is de toezichthouder naar de achterzijde van de loods gelopen waar voorheen de zaken van het grondverzetbedrijf ( [naam] ) aanwezig waren.
Op het terrein zijn onder meer waargenomen een arriverende vrachtwagen van het grondverzetbedrijf, het parkeren van een dieplader van het grondverzetbedrijf, een vernieuwde diesel opslagtank aan de linkerzijde van de loods. Een container met aggregaat, een minikraan en klein materieel (trilplaten etc.) van het grondverzetbedrijf. De opslag van kraanbakken, grijpers etc. en betonbanden en straatklinkers.
Voorts is tijdens de controle een kraan gearriveerd die een graafbak kwam wisselen.
8.6
De rechtbank is van oordeel dat het constateringsrapport d.d. 26 september 2024 aan voormelde vereisten voldoet. Hiermee is komen vast te staan dat na het verstrijken van de begunstigingstermijn (tot 16 augustus 2024) geen einde is gemaakt aan de overtredingen waarop de last onder dwangsom ziet. Nog steeds is sprake van niet toegestane opslag en het gebruik van het perceel ten behoeve van meerdere transportmiddelen van [naam] . Dat het bedrijf [naam] kennelijk is samen gegaan met het bedrijf van [naam] aan de [locatie] -waar het bedrijf naar de rechtbank begrijpt thans formeel is gevestigd- maakt niet dat feitelijk gebruik door eisers van het perceel [locatie] voor bedrijfsactiviteiten van het grondverzetbedrijf is toegestaan en daarom geen overtreding van de last heeft plaatsgevonden.
8.7
Dat een rechtspersoon had dienen te worden aangeschreven had tegen de last dienen te worden aangevoerd. Van uitzonderlijke (evidente) omstandigheden om van (gedeeltelijke) invordering af te zien is niet gebleken.
Het college is op goede gronden tot invordering overgegaan.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep in beide zaken is ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom en het invorderings-besluit in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,
- verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:32
1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.
2. Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.
3. (..).
Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
2. (..).
3. In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.
4. (..).
Artikel 7:2
1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
2. Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. + b. (..),
c. de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
d. de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
e. (..).
Artikel 7:13
1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:
a. die bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden,
b. waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en
c. die voldoet aan eventueel bij wettelijk voorschrift gestelde andere eisen.
2. Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.
3. Het horen geschiedt door de commissie. De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter of een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijk-heid van het bestuursorgaan.
4. (..).
5. Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven.
6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.
7. (..).

Omgevingswet

Artikel 1.1 (begripsbepalingen)
1. De bijlage bij deze wet bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen.
Artikel 5.1 (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
b. t/m g. (..)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 18.1 (inhoud handhavingstaak)
De bestuursrechtelijke handhavingstaak omvat:
a. het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met inbegrip van het verzamelen en registreren van gegevens die hiervoor van belang zijn,
b. het behandelen van klachten over de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, en
c. het opleggen en ten uitvoer leggen van een bestuurlijke sanctie vanwege enig handelen of nalaten in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet.
Artikel 22.1 (tijdelijk deel omgevingsplan)
In deze afdeling wordt onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan verstaan het deel van het omgevingsplan dat bestaat uit:
a. de besluiten, bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet,
b. + c. (..).
Bijlage bij artikel 1.1 van deze wet
A Begrippen
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
- omgevingsplan: omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4;
- omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan;
- omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in afdeling 5.1;

Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 4.6 (deel omgevingsplan)
1. Als deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet, gelden:
a. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet,
b. t/m f. (..),
g. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening,
h. t/m p. (..).
bestemmingsplan “
[locatie]” (vastgesteld d.d. 29 juni 2023 en in werking getreden op 23 november 2023)
Artikel 1 Begrippen
1.53
Opslag
Binnenopslag van goederen, niet zijnde brand- en explosiegevaarlijke goederen, vrachtwagens en/of materiaal en materieel ten behoeve van het grondverzetbedrijf.
Artikel 3 Maatschappelijk - Kinderdagverblijf
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor “Maatschappelijk - Kinderdagverblijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. Kinderdagverblijf;
b. gymzaal ten behoeve van het kinderdagdagverblijf;
c. instructie-, vergader- en pauzeruimte, uitsluitend op de eerste verdieping en ten behoeve van het kinderdagverblijf;
d. een bestaande bedrijfswoning;
e.
opslag als nevenactiviteit;
f. vlaggenmasten;
g. tuinen, erven en terreinen;
h. speelvoorzieningen;
i. wegen, paden en parkeervoorzieningen ten behoeve van de bestemming;
j. nutsvoorzieningen;
k. groenvoorzieningen;
l. waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen, alsmede (ondergrondse) waterberging- en infiltratievoorzieningen;
m. bijbehorende bouwwerken;
n. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.4
Specifieke gebruiksregels
3.4.1
Aan huis gebonden beroep
Bij de bedrijfswoning zijn aan huis gebonden beroepen en internetverkoop toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, mits:
a. de bedrijfswoning blijft voldoen aan het bepaalde in het Bouwbesluit;
b. de omvang van de activiteit niet meer bedraagt dan 50% van het bebouwd oppervlak van een bouwperceel tot een maximum van 60 m²;
c. er geen zelfstandige vorm van detailhandel ontstaat uitgezonderd een beperkte verkoop in verband met het uitgeoefende beroep;
d. eventueel extra benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd;
e. het beroep wordt uitgeoefend door de bewoner(s) van het pand.
3.4.2
Parkeren en stallen
Het
parkeren en stallen van materieel, materiaal, transportmiddelen, etc. ten behoeve van het
grondverzetbedrijfis
niet toegestaan.
3.4.3
Kinderdagverblijf
De oppervlakte ten behoeve van het kinderdagverblijf mag niet meer bedragen dan 350 m2
3.4.4
Opslag
De oppervlakte
opslag als nevenactiviteitmag
niet meer bedragen dan 1.000 m2en bovendien niet meer dan 50% van de aanwezige bedrijfsgebouwen.
3.5
Wijzigingsbevoegdheid
3.5.1
Bestemming Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming te wijzigen in de bestemming Wonen, mits:
a. er een bedrijfswoning aanwezig is en het bestemmingsvlak verkleind wordt tot maximaal 3.500 m²;
b. de totale oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken teruggebracht wordt tot maximaal 200 m² indien het bestemmingsvlak een oppervlakte heeft van maximaal 1.500 m² of tot maximaal 500 m² indien het bestemmingsvlak groter is dan 1.500 m²;
c. een goede landschappelijke inpassing van het bestemmingsvlak is en blijft verzekerd, waarbij leidend is de meest actuele “Regeling Kwaliteitsverbetering van het landschap gemeente Boxmeer”.
Artikel 14 Overgangsrecht
14.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
b. t/m c. (..)
d. Het bepaalde onder a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldend bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
e. In afwijking van het bepaalde onder d, is het bepaalde onder a wel van toepassing op het gebruik (het parkeren van
één transportmiddelvan het
grondverzetbedrijf, indien het gaat om woon-werkverkeer) dat door de heer [naam] , geboren op [geboortedatum] 1993, wonende te [locatie] op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan maakte van gronden en/of opstallen gelegen aan de [locatie] , met dien verstande dat zodra de heer [naam] volgens het bevolkingsregister niet meer ingeschreven staat op het adres [locatie] het betreffende strijdige gebruik niet meer is toegestaan.