3.2.Feiten
- Bij besluit van 1 juli 2019 is -naar aanleiding van een verzoek om handhaving- door het college aan eisers ( [eisers] ) een 1e last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het “Bestemmingsplan [locatie] ” gebruiken van de locatie [locatie] .
De last ziet op het staken van de illegale bewoning van de stagewoningen en het beëindigen van de aanwezigheid van het grondverzetbedrijf van [naam] , de zoon van eisers. Hierbij zijn eisers op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per week tot een maximum van € 15.000,- gelast de illegale bewoning te staken en, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,- per week tot een maximum van € 15.000,-, de aanwezigheid van een grondverzetbedrijf op het perceel [locatie] permanent te beëindigen en beëindigd te houden.
- Tegen de 1e last onder dwangsom is bezwaar gemaakt.
- Bij besluit op bezwaar van 16 maart 2020 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de last in stand gelaten. Hiertegen is geen beroep ingesteld zodat de last onder dwangsom onherroepelijk is.
- Op 18 mei 2020 en 27 juli 2020 zijn door een gemeentelijk toezichthouder controles uitgevoerd. Naar aanleiding daarvan is geconstateerd dat € 3.000,- aan dwangsommen is verbeurd. Tegen de invordering daarvan is geen bezwaar gemaakt en eisers hebben het bedrag betaald.
- Bij primair besluit van 9 oktober 2023 is het college overgegaan tot het invorderen van verbeurde dwangsommen van in totaal € 12.000,-. Hiertegen is door eisers bezwaar gemaakt. Tegen het besluit op bezwaar van 14 februari 2024 is door eisers ( [eisers] ) beroep ingesteld. Bij uitspraak van 4 februari 2025 (SHE 24/1455) heeft de rechtbank het beroep -tegen de invordering met rente van € 12.000,- aan dwangsommen- ongegrond verklaard.
- Op 6 februari 2024 heeft een toezichthouder van de gemeente -tijdens een controle op het perceel [locatie] - geconstateerd dat op het perceel, in strijd met het bestemmings-plan, een groot en divers aantal zaken van het grondverzetbedrijf van de heer [naam] aanwezig was. De constateringen zijn opgenomen in een rapport d.d. 14 februari 2024.
- Bij schijven van 21 mei 2024 heeft het college aan eisers een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom kenbaar gemaakt.
- Op 2 juli 2024 heeft een toezichthouder vastgesteld dat op het perceel nog steeds een groot aantal zaken van het grondverzetbedrijf aanwezig was. De bevindingen van de toezichthouder zijn opgenomen in een constateringsrapport d.d. 2 juli 2024.
- Bij primair besluit van 18 juli 2024, verzonden op gelijke datum, heeft het college aan [eisers] een (2e) last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 5.1 lid 1 onder a. van de Omgevings-wet. Eisers worden gelast om de overtreding binnen 4 weken na verzending van het besluit te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kan door op de locatie [locatie] niet langer materieel, materiaal, transportmiddelen, etc. van c.q. ten behoeve van het grondverzetbedrijf te parkeren en te stallen of op te slaan. Eisers dienen de betreffende zaken daarom te verwijderen en verwijderd te houden. Indien niet binnen de begunsti-gingstermijn aan de last wordt voldaan, wordt een dwangsom van € 25.000,- ineens verbeurd. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.
- Op 27 augustus 2024 heeft ter plaatse een controle plaatsgevonden waarvan op
26 september 2024 een constateringsrapport is opgemaakt.
- Met het thans bestreden besluit van 9 december 2024 heeft het college het bezwaar tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard.
- Bij primair besluit van 22 april 2025, gericht aan [eisers] , heeft het college een invorderingsbesluit genomen.
- Bij uitspraak van 7 mei 2025 (nr. 202307238/1/R2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep van eisers ( [eisers] ) tegen het besluit van 29 juni 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan “ [locatie] ” ongegrond verklaard.
Last onder dwangsom(SHE 25/40)
4. Eisers zijn van mening dat de wettelijke hoorplicht is geschonden.
Er heeft blijkbaar in het geheel geen hoorzitting plaatsgevonden. Reeds eerder is aangevoerd dat de gemachtigde van eisers geen kantoorgenoot heeft. Met de gevolgde gang van zaken wordt een normale procedure gefrustreerd.
Ter zitting heeft eisers gemachtigde desgevraagd aangegeven dat hij een eenmanszaak heeft en slechts een enkele keer een (2e) kantoorgenoot. Vanwege niet nader toe te lichten privé omstandigheden -een hoge uitzondering daargelaten- is hij niet bereid om op een doordeweekse avond bij een gemeentelijke hoorzitting te verschijnen. Op de hoorzitting had de gemachtigde een toelichting willen geven op hetgeen in de last ten onrechte als overtreding is opgesomd. Daartoe heeft hij nu geen gelegenheid gehad.