ECLI:NL:RBOBR:2025:8266

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/1424
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Woo-verzoek inzake openbaarmaking van documenten met betrekking tot Belgische vergunningprocedures

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 19 december 2025, wordt het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar Woo-verzoek behandeld. Eiseres had op 26 februari 2025 verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot juridische procedures tegen een vergunning verleend aan een chemiebedrijf in Antwerpen. De verweerder, Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, heeft het verzoek afgewezen op basis van artikel 8:79 van de Awb, in samenhang met artikel 8.8 van de Woo, met de stelling dat de gevraagde processtukken buiten de reikwijdte van de Woo vallen.

De rechtbank oordeelt dat artikel 8:79 van de Awb niet van toepassing is op documenten die zijn opgesteld in het kader van een buitenlandse procedure, in dit geval België. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het onvoldoende gemotiveerd is. Eiseres krijgt gelijk en de rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens moet verweerder het griffierecht en de proceskosten van eiseres vergoeden, die zijn vastgesteld op € 1.814,–.

De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen over de verhouding tussen de Woo en het toepasselijke Unierecht, gezien de specifieke omstandigheden van deze zaak. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een goede motivering bij besluiten van bestuursorganen en de toepassing van de Woo in relatie tot buitenlandse procedures.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: [naam]),
en

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiseres om openbaarmaking van documenten op grond van de Woo [1] . Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Hierom wordt het bestreden besluit vernietigd. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 volgt de beoordeling door de rechtbank. Vanaf 4 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 26 februari 2025 op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van informatie over meerdere juridische procedures tegen een vergunning die werd verleend aan een chemiebedrijf dat is gevestigd in Antwerpen voor de uitvoering van ‘Project One’ in de haven van Antwerpen voor de delen:
1. informatie inzake die procedures gestuurd naar Belgische instanties zoals bijvoorbeeld Raad voor Vergunningsbetwistingen en/of andere gerechtelijke instanties.
2. de ‘procesdossiers’
3. de al dan niet aangevallen besluiten inzake het project/de projecten
4. de aangevoerde gronden van de provincies Noord-Brabant en Zeeland
5. inhoudelijk verweer van verweerder(s) en initiatiefnemer
6. rapporten, toetsen, passende beoordeling(en), deskundigenoordelen, enz.
2.1.
Verweerder heeft bij het bestreden besluit van 15 mei 2025 het verzoek van eiseres afgewezen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de Vlaamse autoriteiten de vergunningen voor de fabriek al openbaar hebben gemaakt. De overige documenten zijn volgens verweerder processtukken, waardoor de Woo op grond van artikel 8:79 van de Awb [2] , gelezen in samenhang met artikel 8.8. van de Woo, niet van toepassing is.
2.2.
Eiseres heeft op 23 mei 2025 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit van 15 mei 2025 en heeft daarbij aan verweerder gevraagd in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter op grond van artikel 7:1a, eerste lid van de Awb.
2.3.
Verweerder heeft het bezwaarschrift op 18 juni 2025 doorgestuurd naar de rechtbank.
2.4.
Verweerder heeft de stukken (gelakt en ongelakt) toegezonden waarvan op grond van de Woo om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. Hij heeft daarbij mededeling gedaan van beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Awb. In reactie hierop heeft de griffier van de rechtbank partijen op 10 juli 2025 medegedeeld dat alleen de bestuursrechter kennisneemt van deze stukken en dat de toestemming om dit te doen op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb van rechtswege is verleend.
2.5.
Eiseres heeft de gronden van haar beroep op 24 oktober 2025 aangevuld.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep
,gelijktijdig met het beroep met zaaknummer SHE 24/3424
,op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres voert aan dat dat artikel 8:79 van de Awb niet van toepassing is op de processtukken waarop haar Woo-verzoek ziet, omdat die stukken niet zijn opgesteld op basis van de Awb maar zijn opgesteld ten behoeve van een Belgische procedure waarop de Awb niet van toepassing is. Dat betekent dat artikel 8.8 van de Woo niet van toepassing is.
3.1.
De beroepsgrond slaagt. Artikel 8:79 van de Awb is niet van toepassing op een door een bestuursorgaan in het buitenland, in dit geval België, gevoerde procedure. De rechtbank ziet in de door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling [3] van 16 augustus 2017 [4] maar ook anderszins geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat dit artikel van toepassing is op processtukken van een in een ander land gevoerde procedure. Dit betekent dat verweerder het Woo-verzoek niet op deze grond heeft kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank bepaalt dat verweerder een besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
4.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden.
4.3.
Ook krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Die stelt de rechtbank op grond van het Bpb [5] vast op € 1814,– (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 907,– en een wegingsfactor 1).
4.4.
Tijdens de zitting hebben partijen de suggestie gedaan dat de rechtbank prejudiciële vragen stelt over de verhouding tussen de Woo en het toepasselijke Unierecht. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding gelet op wat haar ter beoordeling voorlag.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 15 mei 2025;
  • draagt verweerder op een besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,– aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.814,–.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:1a, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

In het bezwaarschrift kan de indiener het bestuursorgaan verzoeken in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, zulks in afwijking van artikel 7:1.
Artikel 8:29, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:

Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.
Artikel 8:79 van de Awb luidt, voor zover van belang, als volgt:

1 Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak stelt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen.
2 Anderen dan partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.
(…).
Wet open overheid
Artikel 8.8 van de Woo luidt als volgt:

De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
De Bijlage bij artikel 8.8 van de Woo luidt, voor zover van belang, als volgt:

De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden.
(…)
Algemene wet bestuursrecht: (…) 8:79, voor zover bij het bestuursorgaan berustende documenten zijn opgesteld als processtuk (…)”.

Voetnoten

1.Wet open overheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Besluit proceskosten Bestuursrecht.