ECLI:NL:RBOBR:2025:8265

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/3424
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van een Woo-verzoek om openbaarmaking van documenten met betrekking tot een Belgische procedure

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, gedateerd 19 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo) behandeld. Eiser had op 21 februari 2024 verzocht om openbaarmaking van informatie over juridische procedures die verweerder in België had gevoerd tegen een besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving. Verweerder had het verzoek afgewezen op basis van artikel 8:79 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8.8 van de Woo, omdat de processtukken buiten de reikwijdte van de Woo zouden vallen. De rechtbank oordeelt echter dat artikel 8:79 van de Awb niet van toepassing is op documenten die zijn opgesteld in het kader van een buitenlandse procedure. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en oordeelt dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand kunnen blijven. Eiser krijgt gelijk en verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot het vergoeden van het griffierecht en de proceskosten van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3424

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de Woo [1] . Eiser is het hiermee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat verweerder na het nemen van het bestreden besluit een aanvulling heeft gedaan op het bestreden besluit. Hierom wordt het bestreden besluit vernietigd. Na een verdere beoordeling van eisers beroepsgronden komt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit niet in stand kunnen blijven. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 volgt de beoordeling door de rechtbank. Vanaf 6 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 21 februari 2024 op grond van de Woo verzocht om openbaarmaking van informatie over juridische procedures die verweerder in België voert of heeft gevoerd tegen het besluit van 7 juni 2022 van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme waarbij een omgevingsvergunning is verleend aan een chemiebedrijf dat is gevestigd in Antwerpen in het kader van ‘Project One’. Eiser heeft in zijn Woo-verzoek meer specifiek gevraagd om de bezwaarschriften in de bezwaarprocedures, inclusief het procesdossier met de aangevallen besluiten, aanvullingen, verweerschriften van de verwerende partij, afwijzingen en/of besluiten naar aanleiding van de bezwaren.
2.1.
Verweerder heeft gezocht naar documenten die onder de reikwijdte van het verzoek vallen, waarbij het volgens verweerder gaat om het procesdossier zoals dat is ingediend bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in Vlaanderen. Bij primair besluit van 18 maart 2024 heeft verweerder het besluit gedeeltelijk afgewezen, omdat een aantal documenten uit het procesdossier al openbaar zijn. Voor het overige deel van het Woo-verzoek heeft verweerder het verzoek primair afgewezen omdat processtukken buiten de omvang van de Woo vallen, gelet op artikel 8:79 van de Awb [2] , gelezen in samenhang met artikel 8.8 van de Woo. Dit is volgens verweerder niet anders als de gerechtelijke procedure in een ander land wordt gevoerd. Verweerder heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van de Afdeling [3] van 16 augustus 2017 [4] .
Verweerder heeft het overige deel van het Woo-verzoek subsidiair afgewezen op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef, onder a, van de Woo, omdat het belang om verslechtering van de internationale betrekkingen met Vlaanderen te voorkomen zwaarder weegt dan openbaarmaking van de processtukken,
2.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 10 juni 2024 heeft een (online) hoorzitting plaatsgevonden. Op 9 juli 2024 heeft de hoor- en adviescommissie een advies uitgebracht.
2.3.
In het bestreden besluit van 3 september 2024 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard
,waarbij verweerder de afwijzingsgronden in het primaire besluit handhaaft.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Verweerder heeft bij brief van 7 februari 2025 een nadere mededeling over het bestreden besluit gedaan aan eiser. Verweerder heeft diezelfde dag per e-mail de rechtbank hierover ingelicht.
2.6.
Verweerder heeft de stukken (gelakt en ongelakt) toegezonden waarvan op grond van de Woo om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. Hij heeft daarbij mededeling gedaan van beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Awb. In reactie hierop heeft de griffier van de rechtbank partijen op 27 februari 2025 medegedeeld dat alleen de bestuursrechter kennisneemt van deze stukken en dat de toestemming om dit te doen op grond van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb van rechtswege is verleend.
2.7.
Eiser heeft zijn beroep op 10 maart 2025 aangevuld.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep
,gelijktijdig met het beroep met zaaknummer SHE 25/1424
,op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De brief van 7 februari 2025
3. In de brief van 7 februari 2025 die is gericht aan eiser heeft verweerder een document, te weten een negatief advies van de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant van 14 oktober 2021 (het advies), alsnog aan eiser toegestuurd. Verweerder heeft daarbij vermeld dat hij het document eerder abusievelijk had aangemerkt als een ‘processtuk’ en om die reden niet aan eiser had toegezonden.
3.1.
De rechtbank merkt de brief van 7 februari 2025 aan als een wijziging van het bestreden besluit, zoals ook namens verweerder op de zitting is erkend. Het beroep heeft daarom mede betrekking op de brief van 7 februari 2025 gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Awb. Namens verweerder is op de zitting nader toegelicht dat het bestreden besluit niet volledig was omdat het advies met het bestreden besluit aan eiser verstrekt had moeten worden en openbaar gemaakt had moeten worden. Dat heeft verweerder ten onrechte niet gedaan. Gelet hierop bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek dat verweerder met de brief van 7 februari 2025 heeft willen herstellen.
3.2.
Het beroep is hierom al gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.
Afwijzing op grond van artikel 8.8. van de Woo, gelezen in samenhang met artikel 8:79 van de Awb
4. Eiser voert in zijn aanvullende gronden van 24 oktober 2025 aan dat artikel 8:79 van de Awb niet van toepassing is op de processtukken waarop zijn Woo-verzoek ziet, omdat die stukken niet zijn opgesteld op basis van de Awb maar zijn opgesteld ten behoeve van een Belgische procedure waarop de Awb niet van toepassing is. Dat betekent dat artikel 8.8. van de Woo niet van toepassing is.
4.1.
De beroepsgrond slaagt. Artikel 8:79 van de Awb is niet van toepassing op een door een bestuursorgaan in het buitenland, in dit geval België, gevoerde procedure. De rechtbank ziet in de door verweerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 16 augustus 2017 maar ook anderszins geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat dit artikel van toepassing is op processtukken van een in een ander land gevoerde procedure. Dit betekent dat verweerder eisers Woo-verzoek niet op deze grond heeft kunnen afwijzen.
Afwijzing op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef, onder a, van de Woo
5. Verweerder heeft het Woo-verzoek daarnaast afgewezen omdat hij bang is dat de betrekkingen met de Vlaamse overheidsinstanties kunnen verslechteren bij het openbaar maken van de gevraagde stukken. Verweerder heeft in de besluitvorming nader toegelicht dat er op grond van Vlaamse wet- en regelgeving aan een Vlaamse overheidsinstantie de mogelijkheid wordt geboden een procesdossier niet openbaar te maken. Het bevoegd gezag in België is gehouden tot openbaarmaking van alle informatie wat betreft (proces)stukken maar een uitzondering bestaat voor bestuursdocumenten die milieu-informatie bevatten en indien de bevraagde overheidsinstantie meent dat het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen de bescherming van de rechtspleging in een burgerlijk of administratief rechtsgeding en de mogelijkheid om een eerlijk proces te krijgen.
Verweerder stelde ten tijde van het bestreden besluit dat de procedure in Vlaanderen nog niet is afgerond en de rechtsmiddelen nog niet zijn uitgeput. Ook stelde hij dat door de Vlaamse overheidsinstantie nog niet is besloten op een verzoek tot openbaarmaking van het procesdossier. Daarom is er een reële kans dat de Vlaamse overheid de processtukken niet openbaar zal willen maken. Verweerder acht daarom het belang om verslechtering van de internationale betrekkingen met Vlaanderen te voorkomen, zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking van de processtukken.
5.1.
Eiser heeft in zijn aanvullende gronden naar voren gebracht dat verweerder de procedure tegen België heeft ingetrokken. Daarmee vervalt een belangrijk argument van verweerder om de gevraagde stukken niet openbaar te maken.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder stelt weliswaar dat de mogelijkheid bestaat dat de Vlaamse overheid de gevraagde documenten niet openbaar zal willen maken, maar verweerder heeft nagelaten hierover navraag te doen bij de Vlaamse overheid. Dit terwijl uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat is besproken dat verweerder aan de Vlaamse overheid zal vragen om duidelijkheid te scheppen over de openbaarmaking van de stukken en of er redenen zijn om de processtukken niet openbaar te maken. Uit het bestreden besluit volgt niet dat dit is gebeurd en op de zitting is desgevraagd namens verweerder bevestigd dat die vragen niet zijn gesteld. Dit betekent dat verweerder eisers Woo-verzoek ook niet op deze grond heeft kunnen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het voorgaande kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit niet in stand worden gelaten. De rechtbank ziet geen reden om zelf in de zaak te voorzien. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak.
7. Omdat het beroep gegrond, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden.
8. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten, te weten de reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Die kosten stelt de rechtbank overeenkomstig het formulier proceskosten vast op € 56,20 (retour openbaar vervoer met de trein van [woonplaats] naar ‘s-Hertogenbosch [5] ).
9. Tijdens de zitting hebben partijen de suggestie gedaan dat de rechtbank prejudiciële vragen stelt over de verhouding tussen de Woo en het toepasselijke Unierecht. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding gelet op wat haar ter beoordeling voorlag.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 3 september 2024;
  • bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op eisers bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187,– aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € € 56,20.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:29, zesde lid, van de Awb luidt als volgt:

Inzake een beroep tegen een besluit op grond van de Wet open overheid neemt, in zo verre in afwijking van het eerste en derde lid, uitsluitend de bestuursrechter kennis van de stukken waarvan op grond van de Wet open overheid om openbaarmaking of verstrekking is verzocht. De toestemming, bedoeld in het vijfde lid, is van rechtswege verleend.
Artikel 8:79 van de Awb luidt, voor zover van belang, als volgt:

1 Binnen twee weken na de dagtekening van de uitspraak stelt de griffier kosteloos een afschrift van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ter beschikking van partijen.

2 Anderen dan partijen kunnen afschriften of uittreksels van de uitspraak of van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak verkrijgen. Met betrekking tot de kosten is het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing.

(…).
Wet open overheid
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef, onder a, van de Woo luidt als volgt:

2 Het openbaar maken van informatie blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties;
(…)
Artikel 8.8 van de Woo luidt als volgt:

De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 zijn niet van toepassing op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij deze wet.
De Bijlage bij artikel 8.8 van de Woo luidt, voor zover van belang, als volgt:

De artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 van de Wet open overheid zijn niet van toepassing voor zover de volgende bepalingen gelden.
(…)
Algemene wet bestuursrecht: (…) 8:79, voor zover bij het bestuursorgaan berustende documenten zijn opgesteld als processtuk (…)”.

Voetnoten

1.Wet open overheid.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 11, eerste lid, onder d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.