Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die betrokken was bij een criminele organisatie. De rechtbank heeft de veroordeelde een geldboete opgelegd van € 100.000, waarvan € 35.000 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De zaak is behandeld op meerdere zittingen, waarbij de vordering van de officier van justitie op 21 februari 2024 is ingediend. De officier heeft aanvankelijk een bedrag van € 544.284,- gevorderd, maar dit bedrag is later aangepast naar € 1.248.083,-, met een verplichting tot betaling van € 1.050.000,- aan de Staat. De rechtbank heeft vastgesteld dat de procesafspraken tussen de veroordeelde en het Openbaar Ministerie op 19 maart 2025 zijn gemaakt, waarbij de veroordeelde bijgestaan werd door een raadsman. De rechtbank heeft de vordering tijdig geacht en de procesafspraken als geldig beoordeeld. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk is voor de betalingsverplichting en dat de verplichting tot betaling vervalt indien een van de medeveroordeelden aan zijn verplichtingen voldoet. De uitspraak is gedaan op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, dat de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel regelt.