ECLI:NL:RBOBR:2025:7905

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
82/298503-22 (ontn)
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel en strafrechtelijke veroordeling

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een verdachte, geboren in 1986. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 1.248.083,- en de betalingsverplichting op € 1.050.000,-. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor deze betalingsverplichting. De procedure omvatte meerdere zittingen, waarbij de vordering van de officier van justitie op 21 februari 2024 werd ingediend en later werd aangepast. De verdediging heeft verzocht om de ontnemingszaak af te doen volgens de gemaakte procesafspraken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en met voldoende informatie heeft ingestemd met de procesafspraken, die zijn gemaakt op 19 maart 2025. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee jaar, een taakstraf van 900 uur en een geldboete van € 250.000,-. De veroordeling is gebaseerd op het medeplegen van valsheid in geschrifte en deelname aan een criminele organisatie. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie en de procesafspraken in haar oordeel meegenomen, en heeft de verplichting tot betaling aan de Staat opgelegd ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank heeft ook de duur van de gijzeling vastgesteld op 1080 dagen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer ontneming: 82.298503.22
Datum uitspraak: 4 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
wonende te [woonadres],
hierna: veroordeelde.

De procedure.

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 30 mei 2024, 23 september 2024, 6 februari 2025, 6 oktober 2025 en 20 november 2025. De behandeling van de vordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak tegen veroordeelde met parketnummers 82.298503.22 en 82.312528.22.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door veroordeelde en zijn raadsman naar voren is gebracht.

De vordering van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij vordering van 21 februari 2024 gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat op € 318.245,- en tot het opleggen van een verplichting tot betaling aan de Staat van dat geldbedrag ter ontneming van dat geschatte voordeel;
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 6 oktober 2025 de vordering aangepast, in die zin dat overeenkomstig de gemaakte procesafspraken wordt gevorderd het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast te stellen op € 1.248.083,- en de veroordeelde de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van € 1.050.000,- en veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk te stellen ten aanzien van de betalingsverplichting.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft verzocht de ontnemingszaak af te doen zoals in de procesafspraken is overeengekomen.

Procesafspraken.

De overeenkomst procesafspraken.
Op 19 maart 2025 is tussen veroordeelde en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de inhoudelijke strafzaak (met parketnummers 82.298503.22 en 82.312528.22) en de ontnemingszaak (parketnummer 82.298503.22) van veroordeelde. Veroordeelde is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door diens raadsman. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken. De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang in dat het Openbaar Ministerie ter terechtzitting zal rekwireren tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 1.248.083,- en tot oplegging van een betalingsverplichting tot een bedrag van € 1.050.000,-. Veroordeelde is hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de betalingsverplichting. Veroordeelde zal ten aanzien van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoofdelijke betalingsverplichting geen verweer voeren.

De veroordeling.

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 4 december 2025, waarbij rekening is gehouden met procesafspraken, veroordeeld tot een voorwaardelijk gevangenisstraf voor de duur van twee jaar met een proeftijd van drie jaren, een taakstraf voor de duur van 900 uur subsidiair 450 dagen hechtenis en een geldboete van € 250.000,- subsidiair 360 dagen hechtenis. Deze veroordeling is uitgesproken voor de volgende strafbare feiten:
t.a.v. 82.298503.22
het medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd;
t.a.v. 82.312582.22:
het als oprichter, leider en bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
De beoordeling van de vordering en het afdoeningsvoorstel met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De grondslag voor de ontnemingsvordering betreft artikel 36e Sr. Op grond van dit artikel kan aan degene die is veroordeeld voor een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat feit er op enige manier voor heeft gezorgd dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad geschetste kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252).
De rechtbank stelt vast dat de vordering tijdig is ingediend.
Daarnaast zijn tijdens de inhoudelijke behandeling van de ontnemingszaak op de terechtzitting van 6 oktober 2025 de hiervoor weergegeven procesafspraken uitgebreid en indringend met veroordeelde besproken in aanwezigheid van diens raadsman. Daarbij heeft de rechtbank getoetst of veroordeelde vrijwillig aan de gemaakte afspraken heeft meegewerkt, of deze medewerking op basis van voldoende en duidelijke informatie heeft plaatsgevonden, of hij begreep wat deze afspraken inhielden en welke gevolgen deze voor hem en zijn ontnemingszaak zouden hebben. De veroordeelde heeft verklaard dat hij bekend is met de inhoud van de procesafspraken, dat hij heeft begrepen wat de gemaakte afspraken inhouden, wat de gevolgen daarvan zijn en dat deze afspraken op basis van voldoende en duidelijke informatie tot stand zijn gekomen. Hij heeft vrijwillig ingestemd met de afspraken en is bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de veroordeelde vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken met het Openbaar Ministerie. De rechtbank stelt daarnaast vast dat hij zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarnaast is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens stelt.
De rechtbank slaat acht op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals opgenomen in bijlage 5 behorende bij de overeenkomst tussen het Openbaar Ministerie en veroordeelde met betrekking tot het afdoeningsvoorstel. Naar het oordeel van de rechtbank is de berekening gegrond op de het bewezenverklaarde feit, het op basis van dat feit verkregen voordeel en weerspiegelt dit het aandeel van veroordeelde daarin. De rechtbank stelt de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 1.248.083,-.
In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling bij dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing.
De rechtbank is van oordeel dat aan veroordeelde, overeenkomstig de procesafspraken, de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 1.050.000,-. De rechtbank stelt veroordeelde hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de betalingsverplichting.
Daarbij bepaalt de rechtbank dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.

Toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

De rechtbank:
stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.248.083,- (eenmiljoentweehonderdachtenveertigduizenddrieëntachtig euro);
legt aan [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 1.050.000,00 (voluit eenmiljoenvijftigduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen;
stelt [verdachte] hoofdelijk aansprakelijk ten aanzien van de betalingsverplichting;
bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel komt te vervallen als en voor zover een van de medeveroordeelden, te weten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5], heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat;
bepaalt dat de duur van de gijzeling 1080 dagen betreft.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,
mr. H. Slaar en mr. N.E.M. Keereweer, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 4 december 2025.