ECLI:NL:RBOBR:2025:7904

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
82.298503.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor deelname aan een criminele organisatie en valsheid in geschrifte

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Oost-Brabant in 's-Hertogenbosch uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die als oprichter, leider en bestuurder heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Deze organisatie had als oogmerk het plegen van misdrijven, waaronder valsheid in geschrifte. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaren met een proeftijd van 3 jaren, en heeft bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een beroepsverbod en meewerken aan reclasseringstoezicht. Daarnaast is er een taakstraf van 900 uren opgelegd, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis, en een geldboete van 250.000 euro. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 8 april 2024 en de rechtbank heeft de tenlastelegging op 6 februari 2025 gewijzigd. De verdachte heeft tijdens de zittingen op 30 mei 2024, 23 september 2024, 6 februari 2025, 6 oktober 2025 en 20 november 2025 zijn verdediging gevoerd, waarbij de procesafspraken zijn besproken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte vrijwillig en met voldoende informatie heeft ingestemd met de procesafspraken, en dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank heeft de bewezenverklaring gebaseerd op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, en heeft geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 82.298503.22 en 82.312528.22 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 4 december 2025
Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 mei 2024, 23 september 2024, 6 februari 2025, 6 oktober 2025 en 20 november 2025.
Op de zitting van 30 mei 2024 heeft de rechtbank de tegen verdachte onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 8 april 2024.
Onder parketnummer 82.298503.22 is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 maart 2020 tot en met 9 oktober 2020 te Esbeek , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, de CMR’s, handelspapieren en/of facturen met transporten welke hebben plaatsgevonden tussen [bedrijfsnaam 1] (in Duitsland) en [bedrijfsnaam 2] , zijnde (een) geschrifte(n) dat/die bestemd was/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft zij en/of haar medeverdachte(n) valselijk of in strijd met de waarheid:
A. (met betrekking tot het transport op d.d. 13 maart 2020)
- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 36367561) (DOC-2071, p. 1.977) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op het handelsdocument (DOC-2072 tot en met 2075, p. 1.978 tot en met 1.981) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0009) (DOC-2243, p. 2.169) heeft vermeld dat het ging ‘Aanvoer Slib runderslachterij’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 2020183) (DOC-2061, p. 1.965) heeft vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en/of,
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36367561) (DOC-2417, p. 2.266) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,

B. (met betrekking tot het transport op d.d. 29 mei 2020)

- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 36365092) (DOC-2123, p. 2.037) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op het handelsdocument (DOC-2124 tot en met 2126, p. 2.038 tot en met 2.040) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0014) (DOC-2247, p. 2.173) heeft vermeld dat het ging ‘Slib slachterij’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 20200313) (DOC-2101, p. 2.012) heeft vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en/of,
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36365092) (DOC-2462, p. 2.312) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,

C. (met betrekking tot het transport op d.d. 17 juli 2020)

- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 36367018) (DOC-2164, p. 2.084) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op het handelsdocument (DOC-2165 tot en met 2167, p. 2.085 tot en met 2.087) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0018) (DOC-2251, p. 2.177) heeft vermeld dat het ging ‘Slib slachterij’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 20200436) (DOC-2151, p. 2.068) heeft vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en/of,.
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36367018) (DOC-2497, p. 2.347) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,

D. (met betrekking tot het transport op d.d. 18 september 2020)

- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 42399570) (DOC-2213, p. 2.140) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op het handelsdocument (DOC-2214 tot en met 2216, p. 2.141 tot en met 2.143) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0025) (DOC-2256, p. 2.182) heeft vermeld dat het ging ‘Slib slachterij’, en/of,
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 20200591) (DOC-2200, p. 2.124) heeft vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en/of,
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 42399570) (DOC-2538, p. 2.388) heeft vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’,

terwijl bij deze/dit transport(en) in werkelijkheid runderbloed werd getransporteerd, zulks met het oogmerk om dat geschrift (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
[bedrijfsnaam 2] , in of omstreeks de periode van 13 maart 2020 tot en met 9 oktober 2020 te Esbeek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk, een vals en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
A. (met betrekking tot het transport op d.d. 13 maart 2020)
- het handelsdocument (DOC-2418 tot en met 2419, p. 2.267 tot en met 2.268), en/of,
- de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0009) (DOC-2898, p. 2.522), en/of,
- de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36367561) (DOC-2417, p. 2.266), en/of,

B. (met betrekking tot het transport op d.d. 29 mei 2020)

- het handelsdocument (DOC-2463 tot en met 2465, p. 2.313 tot en met 2.315), en/of,
- de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0014) (DOC-2902, p. 2.526), en/of,
- de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36365092) (DOC-2462, p. 2.312), en/of,

C. (met betrekking tot het transport op d.d. 17 juli 2020)

- het handelsdocument (DOC-2498 tot en met 2500, p. 2.348 tot en met 2.350), en/of,
- de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0018) (DOC-2906, p. 2.530), en/of,
- de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36367018) (DOC-2497, p. 2.347), en/of,

D. (met betrekking tot het transport op d.d. 18 september 2020)

- het handelsdocument (DOC-2539 tot en met 2541, p. 2.389 tot en met 2.391), en/of,
- de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0025) (DOC-2911, p. 2.535), en/of,
- de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 42399570) (DOC-2538, p. 2.388),

voorhanden heeft gehad door deze op te nemen in de bedrijfsadministratie, terwijl [bedrijfsnaam 2] , wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit/deze geschrift(en) bestemd was om gebruik te maken als ware het echt en onvervalst, zulks terwijl verdachte tezamen en in vereniging met (een) ander, althans alleen, (telkens) aan deze verboden gedraging(en) feitelijk leiding heeft gegeven en/of daartoe opdracht heeft gegeven.

Nadat de tenlastelegging met parketnummer 82.312528.28 op de terechtzitting van 6 februari 2025 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 maart 2022 te Esbeek, in elk geval in Nederland, en/of België, als oprichter, leider en/of bestuurder, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van één of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, waaronder: [verdachte] , ), [bedrijfsnaam 4] , en/of [bedrijfsnaam 5] , en/of [bedrijfsnaam 6] ., en/of [bedrijfsnaam 2] , en/of [bedrijfsnaam 7] , en/of [bedrijfsnaam 8] , en/of [bedrijfsnaam 9] , en/of [bedrijfsnaam 11] , en/of [medeverdachte 1] , en/of [medeverdachte 2] , en/of [medeverdachte 3] , in elk geval van één of meer natuurlijke personen en/of rechtspersonen, welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:
• opmaken van valse geschriften en/of het gebruikmaken van valse geschriften (artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht), en/of,
• in strijd met de vergunning innemen en verwerken van (niet vergunde) afvalstoffen in de co-vergistingsinstallatie(s) (artikel 2.3 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), en/of
• het manipuleren van de overzichten en/of het niet (juist) kunnen verantwoorden (als producent en/of handelaar) dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd (artikel 14 Meststoffenwet), en/of,
• het vervoeren van dierlijke bijproducten en/of afgeleide producten zonder dat zij zijn vergezeld met een juist ingevuld handelsdocument (artikel 21, lid 2, Verordening (EG) nr. 1069/2009),
in elk geval tot het plegen van misdrijven.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Inleiding

Het Openbaar Ministerie en verdachte hebben procesafspraken gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. Deze procesafspraken zijn opgenomen in een overeenkomst, die door verdachte, zijn raadsman en door de officier van justitie is ondertekend op 19 maart 2025. Deze overeenkomst bevindt zich in het dossier.

De beoordeling van de overeenkomst.

Inhoud afspraken
De procesafspraken houden – zakelijk weergegeven – het volgende in.
De officier van justitie za:
  • de rechtbank vorderen tot wijziging van de tenlastelegging, hetgeen reeds heeft plaatsgevonden tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 6 februari 2025;
  • rekwireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie van de tenlastegelegde feiten;
  • een (geheel) voorwaardelijke gevangenisstraf eisen voor de duur van 2 jaren met een proeftijd van drie jaren, met daarbij als bijzondere voorwaarden o.a. een beroepsverbod, het meewerken aan reclasseringstoezicht, het meewerken aan controles van de NVWA, de politie en/of LID, een taakstraf voor de duur van 900 uren, te vervangen door 450 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest, en een geldboete ter hoogte van € 250.000,00 te vervangen door 360 dagen hechtenis.
De verdachte zal:
  • geen (inhoudeljike) verweren voeren, geen onderzoekswensen indienen en hij heeft het recht om geen (nadere) verklaring af te leggen;
  • zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf onttrekken;
  • afstand doen van de mogelijkheid tot het doen van een verzoek c.q. het vorderen van een schadevergoeding of vergoeding van de kosten in de zin van de artikelen 529, 530, 533 en 6:6:26 Sv, met uitzondering van de kosten met betrekking tot de tegenrapportage van MW Advies ten aanzien van de ontnemingsvordering.
De rechtbank kan alleen acht slaan op deze procesafspraken als gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de eisen uit artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Deze waarborg is in het bijzonder van belang omdat doorgaans, ook in deze strafzaak, in procesafspraken wordt opgenomen dat verdachte afziet van het uitoefenen van bepaalde verdedigingsrechten.
De rechtbank is bij haar beoordeling van het afdoeningsvoorstel uitgegaan van het kader dat de Hoge Raad heeft gegeven in zijn arrest van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.
De rechtbank constateert dat de gemaakte afspraken er blijk van geven dat partijen ervan doordrongen zijn dat de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering leidend zijn bij de beoordeling van de tenlastelegging. Ook wordt tot uitdrukking gebracht dat partijen onderkennen dat de rechtbank geen partij is bij en niet is gebonden aan de gemaakte procesafspraken en het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank stelt verder vast dat de verdachte bij de totstandkoming van de procesafspraken en het afdoeningsvoorstel is bijgestaan door zijn raadsman.
Verdachte is bij de inhoudelijke behandeling van zijn zaak op 6 oktober 2025 verschenen en is ook daar bijgestaan door zijn raadsman. De rechtbank heeft tijdens de inhoudelijke behandeling de procesafspraken, het afdoeningsvoorstel en de consequenties daarvan met de verdachte besproken. De verdachte heeft ter terechtzitting nogmaals bevestigd de inhoud van de overeenkomst en de procesrechtelijke gevolgen hiervan te kennen, te begrijpen en hiermee in te stemmen; alvorens de overeenkomst tot stand is gekomen heeft verdachte daarover meermaals met zijn raadsman gesproken.
De rechtbank constateert dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de voorgestelde afdoening en daarmee afstand te doen van bepaalde verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen doet daarnaast geen afbreuk aan het aan verdachte op grond van artikel 6 EVRM toekomende recht op een eerlijk proces.
Dat betekent dat de rechtbank acht kan slaan op de gemaakte procesafspraken.

Het bewijs

De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat het in de zaak 82.298503.22 primair tenlastegelegde en in de zaak 82.312528.22 tenlastegelegde bewezen kan worden.
De raadsman heeft, overeenkomstig de procesafspraken, geen bewijsverweren gevoerd.

De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte
t.a.v. 82.298503.22
in de periode van 13 maart 2020 tot en met 9 oktober 2020 te Esbeek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, de CMR’s, handelspapieren en facturen met transporten welke hebben plaatsgevonden tussen [bedrijfsnaam 1] (in Duitsland) en [bedrijfsnaam 2] , zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers hebben hij en zijn medeverdachten valselijk of in strijd met de waarheid:
A. (met betrekking tot het transport op d.d. 13 maart 2020)
- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 36367561) (DOC-2071, p. 1.977) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op het handelsdocument (DOC-2072 tot en met 2075, p. 1.978 tot en met 1.981) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0009) (DOC-2243, p. 2.169) vermeld dat het ging ‘Aanvoer Slib runderslachterij’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 2020183) (DOC-2061, p. 1.965) vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36367561) (DOC-2417, p. 2.266) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en

B. (met betrekking tot het transport op d.d. 29 mei 2020)

- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 36365092) (DOC-2123, p. 2.037) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op het handelsdocument (DOC-2124 tot en met 2126, p. 2.038 tot en met 2.040) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0014) (DOC-2247, p. 2.173) vermeld dat het ging ‘Slib slachterij’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 20200313) (DOC-2101, p. 2.012) vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36365092) (DOC-2462, p. 2.312) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en

C. (met betrekking tot het transport op d.d. 17 juli 2020)

- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 36367018) (DOC-2164, p. 2.084) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op het handelsdocument (DOC-2165 tot en met 2167, p. 2.085 tot en met 2.087) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0018) (DOC-2251, p. 2.177) vermeld dat het ging ‘Slib slachterij’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 20200436) (DOC-2151, p. 2.068) vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 36367018) (DOC-2497, p. 2.347) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en

D. (met betrekking tot het transport op d.d. 18 september 2020)

- op de CMR (deel voor vervoerder, deel 3) (met kenmerk: 42399570) (DOC-2213, p. 2.140) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op het handelsdocument (DOC-2214 tot en met 2216, p. 2.141 tot en met 2.143) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 3] (met kenmerk: 2020.0025) (DOC-2256, p. 2.182) vermeld dat het ging ‘Slib slachterij’, en
- op de factuur tussen [bedrijfsnaam 3] en [bedrijfsnaam 1] (met kenmerk: 20200591) (DOC-2200, p. 2.124) vermeld dat het ging om ‘Transport Magen- und Darminhalt gemischt mit Blut’, en
- op de CMR (deel voor de geadresseerde, deel 2) (met kenmerk: 42399570) (DOC-2538, p. 2.388) vermeld dat het ging om ‘Slib van slachterij bestaande uit ongeboren mest met bloed’,

terwijl bij deze transporten in werkelijkheid runderbloed werd getransporteerd, zulks met het oogmerk om dat geschrift (telkens) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

t.a.v. 82.312582.22:
in de periode van 1 januari 2017 tot en met 22 maart 2022 te Esbeek, als oprichter, leider en bestuurder, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van natuurlijke personen en rechtspersonen, waaronder: [verdachte] en [bedrijfsnaam 4] , en [bedrijfsnaam 5] , en [bedrijfsnaam 6] ., en [bedrijfsnaam 2] , en [bedrijfsnaam 7] , en [bedrijfsnaam 8] , en [bedrijfsnaam 9] , en [bedrijfsnaam 11] , en [medeverdachte 1] , en [medeverdachte 2] , en [medeverdachte 3] , , welke organisatie telkens tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het:
• opmaken van valse geschriften en/of het gebruikmaken van valse geschriften (artikel 225 lid 1 en lid 2 Wetboek van Strafrecht), en
• in strijd met de vergunning innemen en verwerken van (niet vergunde) afvalstoffen in de co-vergistingsinstallatie(s) (artikel 2.3 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), en
• het manipuleren van de overzichten niet (juist) kunnen verantwoorden (als producent en/of
handelaar) dat de op het eigen bedrijf geproduceerde of aangevoerde dierlijke meststoffen of de op de eigen onderneming aangevoerde dierlijke meststoffen zijn afgevoerd (artikel 14 Meststoffenwet), en
• het vervoeren van dierlijke bijproducten en afgeleide producten zonder dat zij zijn vergezeld een juist ingevuld handelsdocument (artikel 21, lid 2, Verordening (EG) nr. 1069/2009),
in elk geval tot het plegen van misdrijven.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, zoals tussen de verdachte en het Openbaar Ministerie is overeengekomen, gevorderd de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met een proeftijd van 3 jaren en met als bijzondere voorwaarden een beroepsverbod, het meewerken aan reclasseringstoezicht, het meewerken aan controles door de NVWA, politie en/of LID. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 900 uren, te vervangen door 450 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest en een geldboete ter hoogte van € 250.000,- te vervangen door 360 dagen hechtenis. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd en heeft de rechtbank verzocht aan te sluiten bij de overeenkomst.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als oprichter, leider en bestuurder en het medeplegen van valsheid in geschrifte.
Het handelen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank structurele en wijdverbreide fraude waarbij is gehandeld met winstbejag als enig oogmerk. Door het handelen van verdachte is niet te bepalen schade aan het milieu aangericht en is de volksgezondheid in gevaar gebracht. De fraude is gepleegd in een kwetsbare keten waarbij een groot vertrouwen uitgaat van de controles door de NVWA, maar er ook groot vertrouwen is gesteld in de betrokken spelers. Verdachte heeft samen met diens medeverdachten in georganiseerd verband in de gehele mestbranche fraude gepleegd. Door het handelen van verdachte, te weten het structureel met valse of vervalste informatie en meldingen toezichthoudende autoriteiten op het verkeerde been zetten, is dit vertrouwen beschaamd. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op de afspraken in de overeenkomst en de daaruit voortvloeiende door de verdachte aanvaarde strafeis van de officier van justitie. De rechtbank heeft de uitkomst hiervan beschouwd in het licht van de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hierbij zijn ook betrokken: het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor min of meer vergelijkbare feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan een taakstraf van in totaal 900 uur, een geldboete ter hoogte van € 250.000,- en een straf die een voorwaardelijke vrijheidsbeneming omvat. De rechtbank is verder van oordeel dat de voorgestelde afdoening recht doet aan deze zaak, waarbij zowel het belang van de verdachte als dat van de maatschappij geëerbiedigd wordt. Van de voorgestelde afdoening kan niet worden gezegd dat deze niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het afdoeningsvoorstel.
De rechtbank komt tot de slotsom dat zij een straf zal opleggen die in overeenstemming is met het afdoeningsvoorstel.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 47, 51, 57, 140 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op de
misdrijven:
t.a.v. 82.298503.22
het medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd;
t.a.v. 82.312582.22:
het als oprichter, leider en bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straffen:

* een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van
een proeftijd van
3 jaaréén of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
  • zich zal houden aan een beroepsverbod inhoudende dat verdachte gedurende de proeftijd geen werkzaamheden zal verrichten die op enige wijze verband houden met de handel, transporteren en/of verwerking van mest, met uitzondering van het inkopen en/of verwerken van mest die vrijkomen of die ten behoeve van zijn van (uit) diens eigen (kleinschalige) agrarisch bedrijf (te weten: eenmanszaak [eenmanszaak verdachte] );
  • zal meewerken aan reclasseringstoezicht;
  • zal meewerken aan controles door de NVWA, politie en/of LID;
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* een taakstraf voor de duur van 900 uren subsidiair 450 dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd, die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte opgelegde taakstraf;

* een geldboete ter hoogte van € 250.000,00 subsidiair 360 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.H.J.J. van de Wetering, voorzitter,
mr. H. Slaar en mr. N.E.M. Keereweer, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 4 december 2025.