Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
De ouders van [schuldenaar] hadden voor de auto een inzittendenverzekering afgesloten. Desbetreffende verzekeringsmaatschappij heeft op basis van deze inzittendenverzekering aan [schuldenaar] een schadevergoeding van in totaal € 13.800,- toegekend. [schuldenaar] is daarmee akkoord gegaan.
De resterende schadevergoeding van € 11.800,- is op 21 mei 2025 aan [schuldenaar] uitgekeerd.
De schadevergoeding heeft voor € 7.500,- betrekking op smartengeld (immateriële schade) en voor € 6.300,- op materiële schade.
3.Het verzoek en het standpunt van de wsnp-bewindvoerder
De bewindvoerder ziet geen reden om op het bepaalde in artikel 295 lid 1 Fw Pro een uitzondering te maken, anders dan voor een bedrag van € 2.040,38 voor door [schuldenaar] gemaakte noodzakelijke (medische) kosten. Daarbij voert de bewindvoerder aan dat [schuldenaar] niet met medisch advies of een verifieerbare medische verklaring heeft onderbouwd dat voor hem toekomstige kosten zijn te verwachten die met het ongeval verband houden.
Het stond [schuldenaar] na afloop van de looptijd vrij om voor zijn ouders een vervangende auto aan te schaffen, maar dat mag niet ten nadele van zijn schuldeisers uit de uitgekeerde schadevergoeding worden bekostigd, aldus de bewindvoerder.
4.De beoordelingOntvankelijkheid
16 mei 2025 van de schadevergoeding uitkerende verzekeringsmaatschappij.
Als de immateriële schadevergoeding tijdens de materiële looptijd van de schuldsaneringsregeling is uitgekeerd, dan is het wel deel gaan uitmaken van het vermogen van de schuldenaar en valt het in de schuldsaneringsboedel. De hiervoor aangehaalde wetswijziging heeft daarin geen verandering gebracht. De beschikking van de Hoge Raad van 24 november 2006 gaat dus nog op voor zover de Hoge Raad daarbij heeft geoordeeld dat tot de in de wet geregelde uitzonderingen op de in artikel 295 lid 1 Fw Pro vervatte regel niet behoort een geldsom die ter vergoeding van letselschade is uitgekeerd, ook niet voor zover deze strekt tot vergoeding van toekomstige kosten en van toekomstige schade ten gevolge van gemis aan arbeidscapaciteit.
€ 2.042,38 niet aan de schuldsaneringsboedel af te dragen.
huishoudenen
reiskosten e.d.op basis van een richtlijn zijn vastgesteld respectievelijk als stelpost is opgenomen. De daarvoor uitgekeerde schadevergoedingen zien dus niet op kosten waarvan de omvang is vast komen te staan en door [schuldenaar] daadwerkelijk zijn gemaakt.
Wel heeft [schuldenaar] bij het verzoek een niet ondertekende verklaring overgelegd, die van een niet nader genoemde fysiotherapeut afkomstig zou zijn. Onder deze verklaring volgt een beschrijving van de psychische klachten van [schuldenaar] ten gevolge van het ongeval. Niet duidelijk is wie deze beschrijving heeft opgesteld. Doordat niet kan worden vastgesteld dat deze verklaring en beschrijving door medisch deskundigen zijn opgesteld, komt daaraan niet de waarde toe, die [schuldenaar] daar kennelijk aan wenst te hechten. Overigens wordt nog in de verklaring noch in de beschrijving melding gemaakt van toekomstige schadeposten die verband houden met de daarin gestelde lichamelijke en psychische klachten.