De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van eiseres tegen de bestreden uitspraak van de heffingsambtenaar inzake een voorlopige aanslag zuiveringsheffing bedrijfsruimte over het belastingjaar 2024. De aanslag betrof een bedrag van € 322,25 en was gebaseerd op de vervuilingswaarde volgens de Verordening Zuiveringsheffing.
Eiseres voerde in haar bezwaar- en beroepschrift uitsluitend algemeen geformuleerde gronden aan die betrekking hadden op de WOZ-waarde van het object, terwijl de aanslag zuiveringsheffing niet op de WOZ-waarde is gebaseerd. De rechtbank stelde vast dat deze gronden geen enkel raakvlak hebben met de aanslag en geen inhoudelijke onderbouwing boden waarom de aanslag onjuist zou zijn.
De rechtbank overwoog dat de standaard aangevoerde gronden niet konden leiden tot wijziging van de aanslag en dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om inhoudelijke gronden aan te voeren, maar dit niet had gedaan. Ook het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn van twee jaar nog niet was verstreken.
De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en handhaafde de bestreden uitspraak. Eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding en het griffierecht werd niet teruggegeven.