Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
Beslissing van 9 januari 2025
artikel 512 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoeker, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter-commissaris vanwege vermeende vooringenomenheid tijdens een getuigenverhoor. De raadsman van verzoeker stelde dat zijn opmerkingen niet letterlijk in het proces-verbaal waren opgenomen en dat de rechter-commissaris een verkeerd beeld van de waarheid had, wat leidde tot het wrakingsverzoek.
De wrakingskamer oordeelde dat het proces-verbaal geen letterlijke weergave behoeft te zijn van alle uitlatingen, maar een zakelijke samenvatting volstaat. De beslissing van de rechter-commissaris om niet alles letterlijk op te nemen valt onder haar beoordelingsvrijheid en kan geen grond voor wraking zijn.
Verder benadrukte de wrakingskamer dat rechterlijke beslissingen, ook tussenbeslissingen en hun motivering, niet als wrakingsgrond kunnen dienen tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, wat hier niet het geval was.
De wrakingskamer concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die wijzen op vooringenomenheid van de rechter-commissaris. Het verzoek tot wraking werd daarom afgewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens ontbreken van aanwijzingen voor vooringenomenheid.