In deze strafzaak heeft de rechtbank Oost-Brabant op 11 juli 2025 uitspraak gedaan over de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van het resterende deel van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Veroordeelde had een gevangenisstraf van 27 maanden opgelegd gekregen, waarvan 16 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.
De rechtbank nam kennis van het reclasseringsrapport en de toelichting van deskundigen, waaruit bleek dat veroordeelde nagenoeg alle bijzondere voorwaarden langere tijd niet had nageleefd. Veroordeelde was niet verschenen op de terechtzitting, maar had afstand gedaan van zijn recht om aanwezig te zijn. De rechtbank stelde vast dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de tenuitvoerlegging in de weg stonden.
Eerder had de rechtbank al een gedeeltelijke tenuitvoerlegging bevolen van zes maanden gevangenisstraf. Nu resteerde nog een deel van 265 dagen gevangenisstraf. De rechtbank concludeerde dat de vordering aan alle wettelijke eisen voldeed en dat de officier van justitie ontvankelijk was. Daarom werd de gevorderde tenuitvoerlegging van het resterende deel van de voorwaardelijke straf gelast.