Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2025 in de zaak tussen
[naam] B.V.uit [vestigingsplaats] (ex-werkgever)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant behandelde het beroep van eiseres tegen het besluit van het UWV om haar bezwaar tegen de beëindiging van haar Ziektewetuitkering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege te late indiening.
Eiseres stelde dat zij vanwege psychische klachten niet in staat was om tijdig bezwaar te maken, maar de arts Bezwaar en Beroep concludeerde dat haar psychische problematiek niet zodanig ernstig was dat zij de gevolgen van haar handelen niet kon overzien. De rechtbank achtte dit oordeel betrouwbaar en vond dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat haar medische toestand haar verhinderde om op tijd bezwaar te maken of iemand anders in te schakelen.
Daarbij werd meegewogen dat eiseres in staat was om een behandeling te regelen, bijeenkomsten bij te wonen en te netwerken. De termijnoverschrijding werd daarom niet verontschuldigd en er was ook geen sprake van geringe verwijtbaarheid. Gezien de duur van de overschrijding en het belang van de ex-werkgever oordeelde de rechtbank dat het UWV het bezwaar terecht niet-ontvankelijk had verklaard.
Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door mr. G. de Jong op 19 juni 2025.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de Ziektewetuitkering werd niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.