Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
De formele voorvragen.
Inleiding
Het bewijs.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
De oplegging van straf.
- een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagen waarvan 190 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, (met aftrek van voorarrest van 20 dagen);
- een taakstraf voor de duur van 210 uren;
- een geldboete ter hoogte van € 12.500,00.
De voorlopige hechtenis.
De toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaarthet ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaartniet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
verklaartdat het bewezenverklaarde oplevert de misdrijven:
verklaartverdachte hiervoor strafbaar en
legt opde volgende straffen:
Een gevangenisstraf voor de duur van 210 dagenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht waarvan 190 dagen voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaren;
Een taakstraf voor de duur van 210 uren subsidiair 105 dagen hechtenis;
Een geldboete ter hoogte van 12.500,00 euro subsidiair 97 dagen hechtenis.
23 termijnen van elk 500,00 europer maand en
1 termijn van 1000,00 euro.
heft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.