Eiseres, een werkgever, maakte beroep tegen het besluit van het UWV om de Ziektewetuitkering van een werkneemster voort te zetten na het eerste ziektejaar. De werkneemster was caissière en meldde zich ziek op 6 september 2021. Het UWV had op 18 januari 2024 het bezwaar van de werkneemster gegrond verklaard en de uitkering voortgezet.
De rechtbank oordeelt dat het UWV in de bezwaarfase nagelaten heeft om te onderzoeken of er functies waren die de werkneemster op de peildatum kon vervullen waarmee zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen. Dit is een gebrek in de besluitvorming, omdat het voor eiseres van belang is om vast te stellen of onnodig lang ziekengeld is verstrekt en of zij aanspraak kan maken op schadevergoeding.
Het UWV heeft na het beroep alsnog een arbeidsdeskundig onderzoek laten uitvoeren waaruit bleek dat de werkneemster een theoretische verdiencapaciteit van 78,37% had. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens dit gebrek, maar laat de rechtsgevolgen in stand omdat dit geen andere uitkomst voor de werkneemster oplevert.
De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres. Eiseres kan zich tot het UWV wenden voor een schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting van de Ziektewetuitkering.