Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[gedaagde],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Oost-Brabant
De voormalige penningmeester van een stichting vordert betaling van €4.214,13, stellende dat dit bedrag het saldo is van een geldlening aan de stichting. De stichting betwist het bestaan van een leningsovereenkomst en wijst de vordering af. De kantonrechter oordeelt dat de eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het bestaan van de lening. Hij heeft geen overeenkomst of jaarstukken overgelegd die het gestelde bedrag onderbouwen.
De eiser heeft verklaard dat hij jarenlang geld voor de stichting heeft voorgeschoten en dat dit als schuld zou zijn geregistreerd in de jaarrekening, maar hij kon dit niet met documenten staven. De stichting gaf aan dat het bestuur de jaarrekeningen nooit heeft goedgekeurd en dat de post 'lening bestuurder' op de balans in 2020 onterecht was opgenomen. De kantonrechter benadrukt dat de eiser zijn stelplicht niet heeft vervuld, zeker gezien de verdenking van verduistering en het ontbreken van concrete onderbouwing.
Ook andere mogelijke rechtsgronden zoals onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking zijn onvoldoende gesteld. Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt de eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de voormalige penningmeester tot betaling van €4.214,13 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.