Eiseres was exploitant van een kledingwinkel die door de burgemeester werd gesloten op grond van artikel 174, tweede lid, van de Gemeentewet na een geweldsincident waarbij eiseres en haar vader boa's uitscholden en geweld gebruikten. De burgemeester sloot het pand voor een week wegens verstoring van de openbare orde en mogelijke dreiging voor veiligheid en gezondheid.
Eiseres maakte bezwaar en voerde aan dat zij geen geweld had gebruikt en dat de processen-verbaal onjuist waren. De rechtbank oordeelde dat de burgemeester uit mocht gaan van de juistheid van de processen-verbaal, omdat eiseres onvoldoende concreet bewijs leverde, zoals camerabeelden.
De rechtbank stelde echter vast dat de burgemeester onvoldoende had onderzocht of sluiting van het pand noodzakelijk was nadat eiseres en haar vader waren gearresteerd en meegenomen. Er was geen bewijs van voortdurende onrust of dreiging die onmiddellijke sluiting rechtvaardigde. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen.