ECLI:NL:RBOBR:2024:5222
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en vertegenwoordigingsbevoegdheid bij beroep
Eiser is eigenaar van een hoekwoning waarvan de WOZ-waarde voor 2023 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €343.000. Eiser maakte bezwaar tegen deze waarde, maar de heffingsambtenaar handhaafde de beschikking. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank, waarbij aanvankelijk twijfel bestond over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van het kantoor dat het beroep indiende. Na een tussenbeslissing en nadere onderbouwing werd deze twijfel weggenomen.
De rechtbank beoordeelde vervolgens de inhoudelijke gronden van het beroep. De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een taxatierapport waarin de woning werd vergeleken met drie vergelijkingsobjecten. Eiser stelde dat de staat van de woning slechter was dan gemiddeld, onder meer vanwege een gedateerde keuken en badkamer en een matig duurzaamheidsniveau, maar weigerde een inpandige opname door de taxateur. Hierdoor kon de heffingsambtenaar deze punten niet nader onderzoeken en slaagde eiser niet in zijn bewijslast.
Verder wees eiser op het toevoegen van een nieuw vergelijkingsobject in de uitspraak op bezwaar en stelde dat de heffingsambtenaar proceskosten moest vergoeden wegens schending van artikel 40 Wet Pro WOZ. De rechtbank oordeelde dat het toevoegen van het vergelijkingsobject geen aanleiding gaf tot een nieuwe beroepsprocedure en dat artikel 40 Wet Pro WOZ niet was geschonden omdat deze bepaling niet ziet op gegevens in de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om proceskostenvergoeding af en bepaalde dat eiser het griffierecht niet terugkrijgt. De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink op 6 november 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.