ECLI:NL:RBOBR:2024:3900
Rechtbank Oost-Brabant
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vastgestelde WOZ-waarde woning in Eindhoven
Eiser betwistte de door de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning uit 1984, gelegen in Eindhoven, met een hoofdbouw van 106 m² en een garage van 20 m². De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €278.000 voor het kalenderjaar 2023 en handhaafde dit na bezwaar. In beroep stelde eiser dat de gebruikte vergelijkingsobjecten onvoldoende vergelijkbaar waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met gebreken en ligging van de woning.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht andere vergelijkingsobjecten gebruikte in beroep dan in bezwaar en dat deze voldoende vergelijkbaar waren, waarbij waarderelevante verschillen inzichtelijk waren verwerkt. De door eiser genoemde gebreken en overlast werden door de taxateur adequaat verwerkt in correctiefactoren, waaronder een afwaardering van ruim €93.000 vanwege slechte staat en een aanvullende correctie van 10%. De rechtbank kon de taxatietechnische waarderingen niet op juistheid toetsen maar vond de onderbouwing inzichtelijk.
Verder was de verwijzing van eiser naar eerdere WOZ-waarden niet relevant omdat de waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld. De rechtbank wees erop dat de vaststelling van het OZB-tarief een politieke keuze van de gemeenteraad is en niet door de rechter kan worden beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.