ECLI:NL:RBOBR:2023:634

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 februari 2023
Publicatiedatum
16 februari 2023
Zaaknummer
C/01/384815 / FA RK 22-3523
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Klacht over rookverbod in zorginstelling en de ontvankelijkheid van het verzoek

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 21 februari 2023 uitspraak gedaan over een klacht van verzoeker, die zich richtte tegen een rookverbod in de zorginstelling waar hij verblijft. Verzoeker, die met een zorgmachtiging is opgenomen in de instelling, heeft op 4 juli 2022 een klacht ingediend over het rookverbod dat sinds 1 juli 2022 van kracht is. De klachtencommissie verklaarde zich onbevoegd om de klacht te behandelen, omdat het rookverbod niet in de huisregels was opgenomen. Verzoeker verzocht de rechtbank om de klacht gegrond te verklaren, terwijl verweerster, de zorginstelling, concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van de klacht.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de klacht niet ziet op de nakoming van een verplichting of beslissing op grond van de huisregels, zoals vereist volgens artikel 10:3 Wvggz. De rechtbank oordeelde dat het verbod om in de open lucht te roken niet expliciet in de huisregels is opgenomen en dat verzoeker niet kan stellen dat hij op zijn eigen kamer mag roken op basis van de huisregels. De rechtbank concludeerde dat de klacht niet inhoudelijk kon worden beoordeeld, omdat deze niet voldeed aan de wettelijke vereisten. Uiteindelijk heeft de rechtbank het verzoek van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.

Deze beschikking is openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier, en tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/384815 / FA RK 22-3523
Uitspraak : 21 februari 2023
Beschikking over een verzoek tot verkrijging van een beslissing over een klacht ex artikel 10:7 lid 1 Wvggz
in de zaak van
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende en verblijvende te GGzE [instelling] , afdeling [afdeling] te [adres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. M.J.J. Spieringhs,
tegen
sTICHTINGGGzE,gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen: verweerster,
gemachtigden: [naam] , [naam] en [naam] .

1.Het procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • het verzoekschrift (met bijlagen) van 15 augustus 2022, ter griffie ingekomen op
  • het verweerschrift van 12 september 2022.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 24 januari 2023
plaatsgevonden in het gerechtsgebouw te Eindhoven, gelijktijdig met de mondelinge
behandeling van de zaken met zaaknummers: C/01/384811 / FA RK 22/3520,
C/01/384824 / FA RK 22/3532 en C/01/384831 / FA RK 22/3539. De rechtbank heeft de
volgende personen gehoord:
  • verzoeker (via een beeldbelverbinding), bijgestaan door mr. M.J.J. Spieringhs;
  • namens verweerster directeur behandeling bij [instelling] , [naam] , beleidsadviseur juridische zaken bij [instelling] , [naam] en beleidsadviseur juridische zaken bij GGzE, [naam] .

2.De feiten

2.1.
Verzoeker is met een zorgmachtiging opgenomen in [instelling] , [afdeling] , onderdeel van verweerster.
2.2.
In de ‘Huisregels [instelling] (Beveiligingsniveau 2)’ (hierna: de huisregels) is onder meer het volgende bepaald:
“11. Roken
Op grond van de tabakswet, gevaar voor de gezondheid en vanuit het oogpunt voor de brandveiligheid/-preventie geldt voor alle gebouwen van [instelling] een rookverbod. Ook de e-smoker valt onder dit verbod.”
2.3.
Vanaf 1 juli 2022 is het niet toegestaan om in de gebouwen en op het terrein van verweerster te roken.
2.4.
Verzoeker heeft op 4 juli 2022 een klacht ingediend tegen het rookverbod.
2.5.
De klachtencommissie heeft bij beslissing van 14 juli 2022 zichzelf onbevoegd verklaard jegens de klacht over het opgelegde rookverbod. De klachtencommissie heeft onder meer het volgende overwogen:
“Door verweerder wordt aangegeven dat GGzE, waar [instelling] integraal deel van uitmaakt, uitvoering heeft gegeven aan de verplichtingen die de Tabaks- en Rookwarenwet per 1 juli 2021 aan instellingen voor gezondheidszorg heeft opgelegd. Deze verplichtingen zijn om geen rookwaar meer te verstrekken en om een rookverbod in te stellen binnen de instelling en in de directe omgeving daarvan. De instelling dient dit rookverbod ook aan te duiden en te handhaven.
Het is voor de klachtencommissie duidelijk dat de Tabaks- en Rookwarenwet aan GGzE geen enkele ruimte biedt om zich te onttrekken aan deze bepalingen. Terecht wijst verweerder er op dat eigen regelingen van GGzE, zoals de huisregels, niet tegen wettelijke bepalingen mogen ingaan.
Doordat GGzE gebruik heeft gemaakt van de beleidsvrijheid om de verplichtingen van de Tabaks- en Rookwarenwet voor de cliënten in te voeren per 1 juli 2022, betekent dat dat bepalingen in de huisregels die in strijd zijn met de Tabaks- en Rookwarenwet buiten werking zijn gesteld. Dat betekent dat ook bepalingen in de huisregels die het mogelijk maakten om in de directe omgeving van de instelling te kunnen roken niet langer meer van kracht zijn. Een cliënt van GGzE kan zich na 1 juli 2022 niet meer beroepen op de nakoming door GGzE van deze huisregels.
Een klacht over de huisregels die op grond van artikel 10:3 Wvggz aan de klachtencommissie wordt voorgelegd dient zich te richten op het nakomen van een verplichting of over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van huisregels die van kracht zijn. Omdat klager een klacht heeft ingediend over een huisregel die niet meer van kracht is, is de klachtencommissie niet bevoegd om de klacht te beoordelen. De klachtencommissie zal de klacht om die reden niet in behandeling nemen.”

3.Het geschil

3.1.
Verzoeker verzoekt de rechtbank om de klacht gegrond te verklaren. Volgens verzoeker is het verbod om te mogen roken in strijd met de huisregels.
3.2.
Verweerster voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid dan wel ongegrondheid van de klacht.
3.3.
Op de standpunten van partijen zal, voor zover van belang, bij de beoordeling nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

Wettelijk kader

4.1.
Op grond van artikel 10:3, eerste lid, aanhef en onder k, Wvggz kan verzoeker een klacht indienen over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van de huisregels.
Omvang van het geding
4.2.
De rechtbank begrijpt verzoeker zo dat hij vraagt om het rookbeleid van verweerster terug te draaien. Dat kan de rechtbank niet in deze procedure, omdat de rechtbank op grond van de Wvggz alleen een oordeel kan geven over de klacht. Dit betekent dat de rechtbank alleen een oordeel kan geven over de vraag of het verbod om te mogen roken in strijd is met de huisregels als bedoeld in artikel 8:15 Wvggz.
4.3.
De klacht van verzoeker bestaat uit twee onderdelen: enerzijds ziet de klacht op het niet mogen roken in de open lucht op het instellingsterrein buiten de gebouwen (hierna te noemen: roken in de open lucht) en anderzijds ziet de klacht op het niet mogen roken op de eigen kamer van verzoeker. De rechtbank zal de onderdelen afzonderlijk beoordelen.
Roken in de open lucht
4.4.
De rechtbank stelt vast dat het verbod om in de open lucht te mogen roken niet voorkomt in de op schrift gestelde huisregels. De mededelingen die aan verzoeker zijn gedaan over dit onderwerp kunnen niet gelijk worden gesteld met een huisregel (HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1282, r.o. 3.2.4). Het gevolg is dat de klacht dus niet ziet op het nakomen van een verplichting of een beslissing op grond van de huisregels. Nu de klacht niet gebaseerd is op de huisregels kan de rechtbank de klacht op grond van artikel 10:3, eerste lid, Wvggz niet inhoudelijk beoordelen.
Roken op de eigen kamer
4.5.
De vraag is of het op grond van de huisregels is toegestaan om op de eigen kamer te roken. In de huisregels van verweerster is een verbod opgenomen om te roken in alle gebouwen. Partijen zijn het er echter over eens dat uit deze huisregel geen verbod voortvloeit om te mogen roken op de eigen kamer, zij het op basis van andere argumenten.
4.6.
Anders dan verzoeker heeft aangevoerd, leidt de passage “op grond van de tabakswet” uit de huisregels niet tot de conclusie dat verzoeker op de eigen kamer mag roken op grond van de huisregels. Dit staat er niet en dit kan in redelijkheid ook niet uit deze verwijzing worden afgeleid. Dat in artikel 6.2 van het Tabaks- en rookwarenbesluit is bepaald dat de verplichting voor verweerster om een rookverbod in te stellen niet geldt voor ruimten waar geen inbreuk mag worden gemaakt op de persoonlijke levenssfeer, leidt niet tot de conclusie dat in de huisregels is bepaald dat verzoeker op zijn eigen kamer mag roken.
4.7.
De conclusie is dat in de huisregels geen bepaling is opgenomen over het roken op de eigen kamer. Het gevolg is dat de klacht niet ziet op het nakomen van een verplichting of een beslissing op grond van de huisregels. De rechtbank kan ook deze klacht inhoudelijk niet beoordelen.
Conclusie
4.8.
De rechtbank kan alleen een klacht beoordelen indien die klacht gaat over de nakoming van een verplichting of een beslissing op grond van een in artikel 10:3, eerste lid, van de Wvggz genoemde bepaling. Nu de klacht hier niet op ziet, kan de rechtbank de klacht niet beoordelen. Nu niet is geklaagd over het nakomen van een verplichting of een beslissing op grond van de huisregels, zal het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.De beslissing

De rechtbank verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kooijman, mr. E.C.M. de Klerk, mr. J. Iding, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2023 in aanwezigheid van de griffier.
Conc: SvdB
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.