Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een remigratie-uitkering bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB), welke is afgewezen omdat hij niet onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag gedurende een aaneengesloten periode van acht jaren in Nederland verbleef. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.
De rechtbank toetste de aanvraag aan artikel 2b, eerste lid, onder h, van de Remigratiewet en de uitleg daarvan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Volgens deze bepalingen moet een Nederlandse remigrant direct voorafgaand aan de aanvraag minimaal acht aaneengesloten jaren in Nederland hebben verbleven. De rechtbank volgde de uitleg van de Afdeling dat voor Nederlanders geen verblijfsgat mag optreden en dat het verblijf aaneengesloten moet zijn.
Eiser stelde dat een verblijfsgat voor Nederlanders uitgesloten is en dat de SVB bij Nederlanders niet opnieuw mag gaan tellen vanaf terugkomst na een tijdelijk verblijf in het buitenland. De rechtbank verwierp deze uitleg en oordeelde dat eiser niet voldeed aan de verblijfseis. Daarom was de afwijzing van de aanvraag door de SVB terecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor eiser geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 6 juli 2023.