ECLI:NL:RBOBR:2022:1997
Rechtbank Oost-Brabant
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde vrijstaande woonboerderij op grond van verkoopprijs
Eiser, eigenaar van een vrijstaande woonboerderij uit 1875 met bijgebouwen en een perceel van circa 17.090 m², betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €860.000 per 1 januari 2020. Eiser stelt een lagere waarde van €699.000 voor, gebaseerd op persoonlijke omstandigheden rondom de aankoop die zouden leiden tot een niet-marktconforme prijs.
De heffingsambtenaar onderbouwt de vastgestelde waarde met het eigen verkoopcijfer van de woning en een taxatierapport van €866.000. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat een recente aankoopprijs in principe de WOZ-waarde weerspiegelt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat deze niet marktconform is. Eiser slaagt hier niet in, ondanks zijn persoonlijke motieven en twijfels achteraf.
De rechtbank oordeelt dat de door eiser aangedragen vergelijkingsobjecten onvoldoende onderbouwd zijn, omdat er geen verkoopcijfers zijn overgelegd en de verschillen met de woning niet inzichtelijk zijn gemaakt. De heffingsambtenaar heeft voldoende bewijs geleverd dat de waarde niet te hoog is vastgesteld.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen wordt gewezen op het recht om binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €860.000 wordt ongegrond verklaard.