Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 september 2021 in de zaak tussen
[verzoeker] , handelend onder de naam [naam] , uit [vestigingsplaats] , verzoeker,
:E. Engels).
Rechtbank Oost-Brabant
Verzoeker, exploitant van een café, ontving een brief van het college van burgemeester en wethouders waarin een informele waarschuwing werd gegeven over overtredingen van coronamaatregelen en andere regels. Verzoeker interpreteerde deze brief als een besluit en maakte bezwaar en vroeg de rechtbank om een voorlopige voorziening om de werking van het vermeende besluit te schorsen.
De rechtbank oordeelde dat de brief geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De brief bevatte een informele waarschuwing zonder formele rechtsgevolgen en was niet gebaseerd op een wettelijk voorschrift of beleidsregel. Ook werd geoordeeld dat de waarschuwing niet gelijkgesteld kan worden met een besluit, omdat er geen sprake is van situaties waarin rechtsbescherming via een besluit noodzakelijk is.
Omdat er geen besluit voorlag, kon het verzoek om schorsing niet worden toegewezen. Wel werd het college veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten, omdat in de brief ten onrechte werd gesproken over een besluit en een bezwaarclausule was opgenomen.
De uitspraak werd gedaan door de voorzieningenrechter mr. S.D.M. Michael op 9 september 2021 te 's-Hertogenbosch. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de brief geen besluit is.