Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
werd(en) maisvoermeel en/of andere niet vrij vloeiende ladingen gelost via de graanschuiven terwijl de oplegger in (maximale) kiepstand stond waardoor te veel druk ontstond op de klapdeur, welke daardoor (zeker als één of meer veiligheidsgrendels niet (goed) vergrendeld waren) (plotseling) open kon gaan met als gevolg dat de (zware) lading kon uitstromen en terecht kon komen op diegene(n) die zich op dat moment achter de oplegger/kipper bevond(en);
voorkomen en/of te beperken; en/of
De formele voorvragen.
De beoordeling van het ten laste gelegde
De bewezenverklaring.
werd maisvoermeel gelost via de graanschuiven terwijl de oplegger in maximale kiepstand stond waardoor er te veel druk ontstond op de klapdeur, welke daardoor zeker als één of meer veiligheidsgrendels niet goed vergrendeld waren plotseling open kon gaan met als gevolg dat de zware lading kon uitstromen en terecht kon komen op diegene die zich op dat moment achter de oplegger/kipper bevond;
geïnventariseerd en beoordeeld en geëvalueerd en onvoldoende maatregelen had getroffen om die risico's en die gevaren te voorkomen en/of te beperken; en
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
- verdachte dient de niet vrij vloeiende producten die zij laadt, vervoert en lost te categoriseren, waarbij de rechtbank bepaalt dat maisvoermeel tot deze categorie behoort;
- verdachte dient te bewerkstelligen en toezicht te houden dat producten van de categorie niet vrij vloeiende producten niet worden gelost door de graanschuiven;
- verdachte dient volledige medewerking te geven aan de toezichthouders en opsporingsambtenaren, in het bijzonder inspectie SZW, inzake deze bijzondere voorwaarden onder meer door het verstrekken van informatie waaronder de specifieke loslocaties van deze producten.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Toepasselijke wetsartikelen.
- 14a, 14b, 14c, 14d, 23, 24c, 51, 57, 63 en 307 Wetboek van Strafrecht;
- 1, 2, 6 en 7 van de Wet op de economische delicten;
- 3, 5, 8 en 32 van de Arbeidsomstandighedenwet;
- 7.4 en 3.17 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
DE UITSPRAAK
legt op de volgende straffen
een geldboete van € 100.000,-
€ 25.000,-
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een
proeftijd van drie jarenaan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat veroordeelde zich voor het einde van een
proeftijd van driejaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt