Verzoeker heeft meerdere wrakingsverzoeken ingediend tegen rechters die betrokken zijn bij bestuursrechtelijke beroepen met nummers SHE 17/2543 en SHE 18/1219 tot en met SHE 18/2156. Na eerdere afwijzing van een wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter, diende verzoeker opnieuw een wrakingsverzoek in tegen de wrakingskamer zelf, omdat deze geen uitstel wilde verlenen voor de behandeling van de beroepen.
De wrakingskamer oordeelt dat een wrakingsverzoek alleen gegrond kan zijn indien concrete feiten of omstandigheden een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid opleveren. Verzoeker heeft echter geen concrete gronden aangevoerd tegen de rechters van de wrakingskamer. Bovendien is een wrakingsverzoek tegen alle rechters van de rechtbank niet toelaatbaar omdat dat de afdoening van de beroepen onmogelijk zou maken.
De wrakingskamer constateert dat verzoeker het wrakingsmiddel misbruikt om de voortgang van de procedures te frustreren. Daarom wordt het huidige wrakingsverzoek afgewezen en wordt bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker in deze zaken niet meer in behandeling worden genomen. Tegen deze beslissing staat een voorziening open.