Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 1 juli 2020 in de zaak tussen
[eisers] , te [woonplaats] , eisers
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren, verweerder
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [naam] B.V., h.o.d.n. [naam] B.V., te [vestigingsplaats] , gemachtigde: mr. J. van Vulpen.
Procesverloop
25 jaar voor het realiseren van een zonnepark op het perceel [adres] (het perceel).
zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] en haar gemachtigde.
Overwegingen
Een eerder voor deze locatie ingediend plan voor de aanleg van een zonnepark is afgewezen. Het thans voorziene zonnepark is 1 hectare kleiner dan het eerder aangevraagde zonnepark.
Om het bouwplan mogelijk te maken, heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Ingevolge artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de schending van deze bepaling met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) te passeren en overweegt daartoe als volgt. Aannemelijk is dat eisers niet zijn benadeeld door het niet onverwijld toezenden van de aanvraag en de daarbij gevoegde stukken aan de gemeenteraad en het niet vragen van een vvgb. In de “Evaluatie beleid zonneparken en windmolens” van 17 september 2018 heeft de raad onder andere de volgende uitgangspunten vastgelegd:
15 oktober 2019. Verder heeft verweerder in twee brieven naar verschillende beroepsinstanties verwezen en verschillen het zienswijzeverslag en de Nota van zienswijzen wat persoonsgegevens en inhoud betreft van elkaar.
Over het voeren van een omgevingsdialoog merkt verweerder op dat hij niet is gehouden die te voeren, maar dat met terugwerkende kracht gesteld kan worden dat deze omgevingsdialoog mogelijk beter had kunnen worden gevoerd.
Ten aanzien van het feit dat verweerder wisselende informatie heeft verschaft over de rechterlijke instantie waar beroep tegen het bestreden besluit kon worden ingesteld, stelt verweerder dat het een ambtelijke fout betrof, maar dat eisers hierdoor niet zijn benadeeld.
Verder bestaat er geen gemeentelijk beleid op grond waarvan van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden of het verwerven of vergroten van maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling, zodat het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting, zo hiervan sprake zou zijn, voor verweerder geen reden kon zijn de gewenste medewerking niet te verlenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3580. In de ruimtelijke onderbouwing, waarnaar eisers verwijzen, is bovendien slechts opgenomen dat de gewijzigde plannen met de omwonenden zullen worden besproken. Dit is ook gebeurd, zij het volgens eisers op onzorgvuldige wijze.
Dit betoog faalt.
Dit betoog slaagt niet.
15. Eisers betogen verder dat een zonnepark op dit perceel niet past binnen de kaders van het Beleid en de Evaluatie. Zo is het zonnepark voorzien in het beekdallandschap, waardoor het expliciet valt buiten de randvoorwaarden voor zonneparken in het gemeentelijk beleid.
Verder betwisten eisers dat de omgevingsvergunning voldoet aan de gemeentelijke zonneladder gezien de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de landschappelijke inpassing en biodiversiteit, het niet benutten van het dakoppervlak en de locatie tussen een natuurgebied en woonbebouwing. Het argument dat het park op geringe afstand van het dorp Someren ligt, kan geen reden zijn om de vergunning te verlenen, omdat kabellengte een puur commercieel belang is voor de ontwikkelaar. Verder is van meervoudig ruimtegebruik geen sprake, nu er niets wordt ingezaaid onder de panelen. Ook behoort het zonnepark wegens het ontbreken van een postcoderoosvoorziening, een waterberging of een C2C-certificaat niet tot de parken die volgens het beleid voorrang krijgen bij de invulling van de 50 hectare aan zonneparken, aldus eisers.
3.1, tweede lid onder a (verbod op nieuwvestiging) is in gemengd landelijk gebied nieuwvestiging mogelijk van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen.
2. 2. In afwijking van artikel
7.1, eerste lid onder a is in gemengd landelijk gebied vestiging van zelfstandige opstellingen van zonnepanelen mogelijk met een grotere omvang dan 5000 m2.
3. 3. Er kan uitsluitend toepassing gegeven worden aan het eerste en tweede lid met een omgevingsvergunning waarbij door toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2e of 3e van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt afgeweken van een bestemmingsplan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. a. uit een gemeentelijke visie blijkt dat de aanwijzing van een projectlocatie nodig is om te kunnen voldoen aan de doelstellingen voor het opwekken van duurzame energie;
b. b. in deze visie is afgewogen welke locaties binnen de gemeente geschikt zijn gelet op aspecten van zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit;
c. c. de ontwikkeling een maatschappelijke meerwaarde geeft;
d. d. de ontwikkeling gelet op artikel
3.1, derde lid, inpasbaar is in de omgeving.
4. 4. De maatschappelijke meerwaarde als bedoeld in het derde lid onder c wordt onderbouwd vanuit de volgende criteria:
a. a. de mate van meervoudig ruimtegebruik;
b. b. de maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken;
c. c. de bijdrage die wordt geleverd aan maatschappelijke doelen.
5. 5. Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid worden in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:
a. a. de omgevingsvergunning geldt voor een bepaalde termijn, die ten hoogste 25 jaar bedraagt;
b. b. na het verstrijken van de termijn wordt de vóór de verlening van de omgevingsvergunning bestaande toestand hersteld en wordt de opstelling voor zonne-energie verwijderd;
c. c. voor het gestelde onder b. wordt financiële zekerheid gesteld.
De rechtbank stelt allereerst vast dat artikel 6.19 van de VrNB hier niet van toepassing is, omdat het voorziene zonnepark niet is gelegen in de Groenblauwe mantel, maar in Gemengd Landelijk Gebied. Wel is artikel 7.20 van de VrNB, dat eveneens op zonneparken ziet, hier aan de orde. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 7.20, derde lid, onder a en b, van de VrNB, omdat in de hoofdstukken 4 en 5 van het Beleid is ingegaan op deze aspecten.
24. Wat de voorwaarden onder c en d van artikel 7.20, derde lid, van de VrNB betreft, overweegt de rechtbank het volgende.
In het Beleid staat, overeenkomstig het provinciale beleid, dat sprake moet zijn van meervoudig ruimtegebruik, waarbij gedacht kan worden aan bijvoorbeeld een waterbergingsgebied, het laten grazen van schapen onder de zonnepanelen, het creëren van natuur of recreatieroutes.
25. Verweerder is van mening dat in dit geval wel degelijk sprake is van meervoudig ruimtegebruik in de vorm van biodiversiteit onder de panelen. Vanwege het feit dat het natuurlijke beekdallandschap van de Kleine Aa aan het zonnepark grenst, is biodiversiteit volgens verweerder een wenselijke vorm van dubbel ruimtegebruik.
- de ontwikkeling van meerjarig bloem- en kruidenrijk grasland tussen panelen en onderhoudspaden;
- de aanleg van een (extra) amfibieënpoel van 150 m²;
- een struweelhaag;
- een kruidenrijk grasland van 15.000 m²;
- een bijenzone met ingezaaid meerjarig R6 kruidenmengsel van 3000 m²;
- een bijenhotel.
27. Zoals eisers ter zitting terecht hebben opgemerkt, is in het inrichtingsplan niet opgenomen dat onder de panelen natuur wordt aangelegd. In het verslag van de informatieavond van 15 oktober 2019 is wél aangegeven dat er speciaal mengsel (schaduw minnend) onder de panelen wordt toegepast. In het bestreden besluit is bepaald dat de vergunninghoudster zich bij het inrichten van het zonnepark dient te houden aan de afspraken zoals opgenomen in dit verslag.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft gesteld dat sprake is van meervoudig ruimtegebruik, omdat genoemde inrichtingsmaatregelen kunnen worden aangemerkt als het creëren van natuur” als bedoeld in het Beleid.
1 plus moeten behalen om te voldoen aan het beleid. Het voorziene zonnepark scoort
2 plussen, omdat sprake is van:
- extra landschappelijke inpassing bovenop de vereiste 10%; het zonnepark voorziet voor ruim 18.500 m² aan (nieuwe) inrichtingsmaatregelen. Deze oppervlakte vormt ruim 33% van het plangebied;
- extra maatregelen voor biodiversiteit; het zonnepark voorziet in een oppervlakte van ruim 18.500 m² aan natuurlijke inrichting.
Voor zover eisers met betrekking tot de biodiversiteit verwijzen naar rapporten van de WUR, overweegt de rechtbank dat uit het door eisers aangehaalde citaat volgt dat voor de vraag of de effecten van een zonnepark op onder andere de aanwezige biodiversiteit positief of negatief zijn, afhangt van de uitgangssituatie op de betreffende locatie en van de inrichting en het beheer van het zonnepark. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat op voorhand duidelijk is dat het zonnepark een negatief effect op de biodiversiteit zal hebben.
Verder heeft verweerder op goede gronden gesteld dat participatie op basis van een postcoderoos en de aanwezigheid van een waterberging en C2C-gecertificeerde panelen op grond van het beleid geen voorwaarde vormen voor het toestaan van initiatieven. Op deze onderwerpen kunnen aanvragers punten scoren waardoor zij voorrang kunnen krijgen, maar deze punten kunnen ook op andere wijze worden verkregen. Dat het volgens eisers een gemiste kans is dat er bijvoorbeeld geen waterberging wordt gerealiseerd, behoefde voor verweerder dan ook geen aanleiding te vormen om de gevraagde vergunning te weigeren.
32. Eisers brengen verder naar voren dat de omwonenden, anders dan aanvankelijk was voorgespiegeld in de ruimtelijke onderbouwing, geen aandelenparticipatie is aangeboden. Weliswaar is dat geen wettelijke verplichting, maar vergunninghoudster heeft zich volgens eisers hieraan gebonden door dit in de ruimtelijke onderbouwing van het plan op te nemen.
Verweerder stelt dat financiële participatie geen wettelijke verplichting is. Op basis van de plantoelichting is vergunninghoudster gehouden om een bedrag van 50% van het eigen geïnvesteerd vermogen open te stellen voor participatie.
Volgens verweerder is het moeilijk om financiering van banken voor het project te krijgen met een groot aantal individuen die persoonlijk aandelen nemen. Dit is wel mogelijk met een constructie van een lokale coöperatie. In het beleid van de gemeente is de participatie van omwonenden, lokale bewoners en bedrijven als inspanningsverplichting opgenomen. Het behalen van 50% eigen vermogen bij omwonenden en belanghebbenden is geen harde voorwaarde, aangezien dit volgens verweerder niet realistisch is. Dit blijkt uit de moeizame werving van investeerders bij de lokale energiecoöperatie ZummerePower. Het feit dat omwonenden en andere bewoners van de gemeente kunnen participeren is voldoende, aldus verweerder.
Vergunninghoudster wijst er in haar brief van 6 april 2020 op dat het mogelijk is voor omwonenden om te participeren in een lokale energiecoöperatie door aankoop van certificaten van aandelen in het zonnepark. Dat eisers van mening lijken dat het project onvoldoende participatiemogelijkheden voor de lokale omgeving biedt, doet er niet aan af dat voor het project in lijn met het gemeentelijke beleid inspanningen zijn verricht met het oog op participatie.
Een belangrijk onderdeel van de maatschappelijke meerwaarde van een zonnepark is volgens het Beleid het inzetten van lokale energiecoöperaties, bedrijven en/of burgers. Een lokale energiecoöperatie (en daarmee lokale burgers en bedrijven) kan participeren in een zonnepark. De opgewekte energie kan dan worden aangewend om in de energiebehoefte van de participanten te voorzien. Ook kunnen lokale bedrijven worden ingezet om het zonnepark te bouwen en burgers als vrijwilligers voor bijvoorbeeld het beheer van het zonnepark.
Ter zitting heeft vergunninghoudster aangegeven overleg te hebben gevoerd met Zummerepower en te hebben besloten om geen aandelencertificaten uit te geven, omdat zij geen participatie wil aanbieden waarbij mensen een financieel risico lopen. Door middel van crowdfunding kunnen inwoners van Someren deelnemen, waardoor zij meer feeling krijgen met het project.
Dit betoog slaagt niet.
40. Verweerder heeft hierover gesteld dat het inkoopstation geen geluidbron vormt. Verder verwijst verweerder naar de ruimtelijke onderbouwing en de VNG-brochure en de daarin genoemde aanbevolen afstand tot woonfuncties waaraan het zonnepark (ruimschoots) voldoet.
Over de geluidbelasting vanwege het bouwverkeer stelt verweerder dat de geluidbelasting van de bouwfase is uitgewerkt door aanvrager en getoetst is door de Omgevingsdienst
Zuid-Oost Brabant.
15 oktober 2019 staat verder vermeld dat in totaal ongeveer 50 transportbewegingen met opleggers worden verwacht en ongeveer 160 bewegingen met personenvervoer.
Verweerder heeft beoordeeld of aan artikel 8.3 van het Bouwbesluit wordt voldaan, waarin geluidnormen zijn opgenomen voor bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden. Hiertoe is door vergunninghoudster een geluidonderzoek uitgevoerd, waaruit volgt dat aan de in artikel 8.3 opgenomen geluidnormen kan worden voldaan. De rechtbank is niet aannemelijk geworden dat verweerder dit onderzoek niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.
Dit betoog slaagt niet.
Eisers hebben verder naar voren gebracht dat het toegangspad niet geschikt is voor bouwverkeer. Volgens hen is het aanbrengen van worteldoek en houtsnippers onvoldoende.
2 à 3 vrachtbewegingen per dag en dat deze werkwijze zeer gebruikelijk is. Vergunninghoudster zorgt ervoor dat de demping blijft door de aangebrachte laag te onderhouden.
117 meter bedraagt. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat eisers stof- en geluidhinder zullen ondervinden vanwege het transportverkeer op het toegangspad.
Dit betoog slaagt niet.
Aan de verleende omgevingsvergunning is de voorwaarde verbonden dat de toestemming voor afwijken van de bestemming geldt voor maximaal 25 jaar en dat na afloop het terrein weer in zijn oorspronkelijke staat (zoals in 2019, ten tijde van het verlenen van de onderhavige vergunning) wordt gebracht: de landschappelijke inpassing en de ecologische inrichting dienen echter in stand gehouden te blijven.
Verder is in de voorwaarden opgenomen dat vergunninghoudster uiterlijk op de dag dat de inkennisstelling voor aanvang van de werkzaamheden is gedaan, een bankgarantie bij de gemeente dient aan te leveren ten behoeve van de financiële garantstelling voor het ontmantelen van het zonnepark zoals opgenomen in het exploitatieoverzicht in bijlage 7 van de vergunning. Vergunninghoudster kan de bankgarantie als hiervoor bedoeld op elk gewenst moment vervangen door het eerste recht van hypotheek ten behoeve van de gemeente op de onbezwaarde eigendom van de percelen kadastraal bekend gemeente Someren, sectie [nummer] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Tevens kan initiatiefnemer de bankgarantie als hiervoor bedoeld op elk gewenst moment vervangen door een derdengeldenrekening waarbij het benodigde bedrag voor het ontmantelen van het zonnepark hierop gestort wordt.
Tot slot is als voorwaarde aan de vergunning verbonden dat vergunninghoudster uiterlijk op de dag dat de inkennisstelling voor aanvang van de werkzaamheden is gedaan, een rapport dient aan te leveren waarin de oorspronkelijke staat van het perceel is vastgelegd conform een zogeheten ‘nul-meting’.
Ter zitting heeft vergunninghoudster over het hergebruik van de panelen gesteld dat in elk geval aannemelijk is dat staal en koper zoveel waard worden dat er te zijner tijd belangstellenden zullen zijn om deze om niet op te komen halen.
Gelet op de vergunningvoorschriften heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontmanteling en het herstel in de oude staat voldoende is geborgd. Verder is de rechtbank niet aannemelijk geworden dat in de exploitatiebegroting een te gering bedrag hiervoor is gereserveerd of de bankgarantie niet toereikend is, gelet op het verhandelde ter zitting en wat hierover in het zienswijzeverslag van 22 oktober 2019 is opgenomen. Dat de gronden na de exploitatie van het zonnepark geen enkele economische agrarische waarde meer zouden hebben en zullen veranderen in een stuk braakliggend terrein, is onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat dit laatste ook kan gebeuren als er geen zonnepark zou worden gerealiseerd. Van strijd met artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is bepaald dat de toelichting van een plan inzicht dient te bieden over de uitvoerbaarheid van het plan, is geen sprake.
Dit betoog faalt.
Eisers vragen zich verder af hoe het onderhoud aan de hakhoutsingel moet plaatsvinden, nu deze ingesloten gaat worden tussen het hekwerk van de aangrenzende woningen en het te plaatsen hekwerk rondom het zonnepark. Verder stellen zij dat de hakhoutsingel ten minste de laatste vier jaren niet is bijgehouden.
Dit betoog slaagt niet.
Zicht op zonnepark
Wat het zicht op het inkoopstation betreft, heeft verweerder gesteld dat met de huidige aanplant van 10 haagbeuken het inkoopstation voldoende aan het zicht van eisers wordt onttrokken.
In het bestreden besluit is, zoals hiervoor reeds is gesteld, als voorwaarde opgenomen dat vergunninghoudster zich bij het inrichten van het zonnepark dient te houden aan de afspraken zoals opgenomen in het verslag van de omgevingsdialoog van 15 oktober 2019 zoals opgenomen in bijlage 10. Gelet hierop is voldoende geborgd dat de wintergroene heesters en hedera zullen worden aangeplant. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de genoemde beplanting ontoereikend is om het zicht op het zonnepark in voldoende mate te beperken. Dit geldt ook ten aanzien van het inkoopstation. Hierover heeft vergunninghoudster bovendien terecht gesteld dat eisers hierop geen zicht hebben, zodat een beroep van eisers op een verslechtering van het woon- en leefklimaat van de bewoners van de [adres] niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.
Dit betoog slaagt niet.
Zoals hiervoor reeds is gesteld, is aan de omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat het plan moet worden voorzien van een landschappelijke inpassing conform het inrichtingsplan van bijlage 8, aan te leggen binnen zes maanden na het plaatsen van de panelen. Verder is als voorwaarde aan de vergunning verbonden dat de landschappelijke inpassing en de ecologische inrichting in stand dienen te blijven nadat het terrein weer in de oorspronkelijke staat is gebracht.
De ecologische inrichtingsmaatregelen zijn evenals het beheerplan opgenomen in het inrichtingsplan. In dit plan zijn ook de frequenties en perioden genoemd voor het toe te passen onderhoud. Verweerder heeft daarom in redelijkheid kunnen stellen dat hierdoor is verzekerd dat vergunninghoudster de beschreven ecologische inrichtingsmaatregelen zal treffen en dat het beheer na realisatie van het bouwplan in voldoende mate is geborgd. Verder heeft verweerder er terecht op gewezen dat het jaarlijks budget voor onderhoud is opgenomen in het exploitatieoverzicht dat als bijlage 7 bij het bestreden besluit is gevoegd. Dat hieronder volgens eisers ook het onderhoud aan de installaties valt, zodat het de vraag is wat er voor het terreinonderhoud overblijft, maakt niet dat verweerder het bestreden besluit hierom niet heeft kunnen verlenen. Niet aannemelijk is geworden dat het beheer niet zou kunnen worden uitgevoerd. Dit betoog faalt.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Gelet op het onder overweging 3 gestelde gebrek, bestaat in beginsel aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Van proceskosten die ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen, is echter niet gebleken.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,00 aan eisers te vergoeden.
mr. J.H.G van den Broek, leden, in aanwezigheid van mr. M.P.C. Moers-Anssems, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 1 juli 2020.
Rechtsmiddel
Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing. Dit betekent dat in het beroepschrift de gronden van hoger beroep kenbaar moeten worden gemaakt. Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na de genoemde termijn van zes weken geen gronden meer worden ingediend.