De raad voor de kinderbescherming verzoekt de rechtbank om een voogdijmaatregel te treffen voor de minderjarige [A], omdat de moeder minderjarig is en de vader het kind niet heeft erkend, waardoor niet in het gezag over de minderjarige wordt voorzien.
De rechtbank beoordeelt eerst de rechtsmacht en toepasselijkheid van het recht. Gelet op de gewone verblijfplaats van de minderjarige en haar ouders is de Nederlandse rechter bevoegd en is Nederlands recht van toepassing. Vervolgens wordt onderzocht of de ouders juridisch ouders zijn en of zij het gezag hebben, waarbij ook Tsjechisch recht wordt betrokken vanwege de nationaliteit van de ouders.
De moeder wordt als juridisch moeder erkend volgens Tsjechisch recht, maar de vader wordt niet als juridisch vader aangemerkt omdat hij het kind niet heeft erkend en er geen geldig huwelijk is volgens Nederlands recht. De moeder is als minderjarige niet bevoegd het gezag uit te oefenen en de vader heeft geen gezag. Daarom is er geen gezag over de minderjarige.
De rechtbank besluit daarom de Stichting Jeugdbescherming Brabant te belasten met de voogdij over [A]. Dit is noodzakelijk omdat de moeder weinig initiatief toont in belangrijke zaken voor de minderjarige en afhankelijk is van familie. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden aangevochten.