ECLI:NL:RBOBR:2019:4768
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan
Verzoeker stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) inzake de vaststelling van het dagloon in het kader van de Ziektewet. Na een zitting en een schorsing van het onderzoek heeft verweerder een gewijzigde beslissing genomen waarbij het bezwaar van verzoeker alsnog gegrond werd verklaard en het dagloon uit coulance werd verhoogd.
Hierop trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank stelde vast dat verweerder aan het beroep geheel of gedeeltelijk tegemoet was gekomen, waardoor op grond van artikel 8:75a Awb proceskostenveroordeling mogelijk was.
De rechtbank beoordeelde de door verzoeker gemaakte kosten, waaronder kosten voor rechtsbijstand, reiskosten en verletkosten, en stelde de vergoeding vast op € 1.588,08. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht. De rechtbank wees de door verweerder toegezegde hogere vergoeding deels af omdat sommige kosten niet onderbouwd waren.
De uitspraak werd gedaan door rechter F.M. Rijnbeek en griffier P.M. de Kruif op 14 augustus 2019. Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld binnen zes weken.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoeker ter hoogte van € 1.588,08.