ECLI:NL:RBOBR:2019:4768

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
14 augustus 2019
Publicatiedatum
15 augustus 2019
Zaaknummer
18/1764
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 1 Bpb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoeker stelde beroep in tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) inzake de vaststelling van het dagloon in het kader van de Ziektewet. Na een zitting en een schorsing van het onderzoek heeft verweerder een gewijzigde beslissing genomen waarbij het bezwaar van verzoeker alsnog gegrond werd verklaard en het dagloon uit coulance werd verhoogd.

Hierop trok verzoeker het beroep in en verzocht de rechtbank om verweerder te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank stelde vast dat verweerder aan het beroep geheel of gedeeltelijk tegemoet was gekomen, waardoor op grond van artikel 8:75a Awb proceskostenveroordeling mogelijk was.

De rechtbank beoordeelde de door verzoeker gemaakte kosten, waaronder kosten voor rechtsbijstand, reiskosten en verletkosten, en stelde de vergoeding vast op € 1.588,08. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht. De rechtbank wees de door verweerder toegezegde hogere vergoeding deels af omdat sommige kosten niet onderbouwd waren.

De uitspraak werd gedaan door rechter F.M. Rijnbeek en griffier P.M. de Kruif op 14 augustus 2019. Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld binnen zes weken.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan verzoeker ter hoogte van € 1.588,08.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 18/1764
uitspraak van de rechtbank van 14 augustus 2019 op het verzoek om een proceskostenveroordeling in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] verzoeker

(gemachtigde: mr. I.T.A. Duijs),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. G.A. Vermeijden).

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2018 heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker per 8 januari 2018 recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet, waarbij het dagloon is bepaald op € 54,53.
Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift en – op verzoek van de rechtbank – een toelichting op het bestreden besluit ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2019. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, waarbij verweerder gelegenheid is gegeven zich te beraden op de ongewenste dagloonverlagende effecten van het bestreden besluit.
Bij brief van 21 mei 2019 heeft verweerder aan de rechtbank een gewijzigde beslissing op bezwaar van dezelfde datum aan de rechtbank doen toekomen. Daaruit blijkt dat verweerder het bezwaar van verzoeker alsnog gegrond heeft verklaard en het dagloon uit coulance heeft vastgesteld op € 129,47.
Bij faxbericht van 13 juni 2019 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank
verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. Bij brief van 10 juli 2019 heeft verweerder als reactie op het verzoek om veroordeling in de proceskosten aan de rechtbank laten weten dat aan eiser de proceskosten en het griffierecht zullen worden vergoed ten bedrage van € 1.603,28, bestaande uit: € 512,– aan kosten bezwaar, € 1.024,– (2 x € 512,–) aan kosten beroep, € 21,28 aan reiskosten op basis van het openbaar vervoer en € 46,– aan griffierecht.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep is tegemoet gekomen, het bestuursorgaan in de proceskosten veroordelen, indien daarom bij de intrekking wordt verzocht. De in deze bepaling bedoelde situatie doet zich hier voor. Verweerder is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker en daarop heeft verzoeker het beroep ingetrokken.
2. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 1.536,– (1 punt voor het indienen van een (aanvullend) bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 512,– en een wegingsfactor 1; 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,– en een wegingsfactor 1).
De reiskosten, verband houdend met het bijwonen van de zitting door verzoeker, worden met inachtneming van artikel 1, aanhef en onder c, van het Bpb vastgesteld op € 24,08 (kosten openbaar vervoer, 2e klasse, van woonplaats Bladel naar ’s-Hertogenbosch vice versa). De door verzoeker gedeclareerde reiskosten á € 31,36 per eigen vervoer komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Verzoeker heeft tevens verzocht om vergoeding van verletkosten á € 101,88 voor het bijwonen van de zitting (8 uren). Omdat verzoeker de gestelde verletkosten niet heeft onderbouwd met bewijsstukken, zal de rechtbank uitgaan van het laagste uurtarief als genoemd in het artikel 2, eerste lid en onder d, van het Bpb, te weten € 7,–. Wat betreft het aantal verleturen gaat de rechtbank, gelet op de reistijd met openbaar vervoer (vice versa) en de duur van de zitting, uit van een tijdsbeslag van vier uur. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de voor vergoeding in aanmerking komende verletkosten € 28,– (te weten 4 x € 7,–) bedragen.
3. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat een totaalbedrag van
€ 1.588,08 voor vergoeding in aanmerking komt. Verweerder wordt derhalve veroordeelt in deze door verzoeker gemaakte proceskosten.
4. Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen, dient op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door de indiener betaalde griffierecht aan hem te worden vergoed door het desbetreffende bestuursorgaan. Omdat aan deze voorwaarde is voldaan, kan verzoeker aan verweerder vragen het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.
5. In zijn brief van 10 juli 2019 heeft verweerder reeds toegezegd de proceskosten en het griffierecht te zullen vergoeden ten bedrage van € 1.603,28. Voor zover de daarin door verweerder genoemde bedragen afwijken van wat door de rechtbank in de onderhavige uitspraak is vastgesteld, dient te worden uitgegaan van de door de rechtbank vastgestelde bedragen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.588,08.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van mr. P.M. de Kruif, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 augustus 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.