Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2019 in de zaak tussen
[naam] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
30 juli 2017, 7 september 2017, 9 november 2017 en 21 november 2017.
€ 1.260,- aan eiser verschuldigd zou zijn.
4 augustus 2016 van verweerder één maal de maximale dwangsom van € 1.260,- vordert.
€ 1.260,- voor het niet tijdig beslissen op de aanvragen van 4 augustus 2016.
4 augustus 2016 en dat op die aanvragen nog niet was beslist. Daarmee moet verweerder voldoende duidelijk zijn geweest op welke aanvragen hij volgens eiser niet tijdig had beslist en nog een beslissing moest nemen. Overigens geldt naar het oordeel van de rechtbank dat ook als door verweerder wel al op één of enkele van de aanvragen was beslist, verweerder eenvoudig kon vaststellen op welke aanvragen van 4 augustus 2016 de brieven betrekking hadden voor de hand ligt dat de brieven betrekking hebben op de aanvragen waarop nog niet was beslist en verweerder eenvoudig kan vaststellen op welke aanvragen van
4 augustus 2016 nog niet was beslist.