Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.de vennootschap onder firma [de VOF] ,
1.Het verloop van het geding
2.De feiten
3.Het geschil
primairzowel de vof als de vennoten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van
subsidiairzowel de vof als de vennoten hoofdelijk te veroordelen om binnen twee weken na betekening van het vonnis een met bewijzen onderbouwd overzicht te doen toekomen van de daadwerkelijke opleidingskosten over de jaren 2015 en 2016 en te veroordelen hetgeen [eiseres] onterecht aan opleidingskosten heeft afgedragen binnen twee weken na betekening van het vonnis aan haar terug te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als vermeld in de akte voorwaardelijke vermeerdering van eis;
meer subsidiairen onder de voorwaarden dat [eiseres] in haar vorderingen in de
4.De beoordeling
vanaf 2014’. [de VOF] heeft niet betwist dat [eiseres] immer meer dan 3,2 cliënten per dagdeel heeft gezien. Overige verweren die aan toewijzing van het gevorderde op dit punt in de weg kunnen staan zijn niet aangevoerd. Dit bedrag is toewijsbaar.