Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 maart 2013 tot en met 01 juni 2015 op na te noemen plaatsen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een beroep of een gewoonte heeft gemaakt van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich en/of (een) ander(en) de beschikking over die goederen te verzekeren, hebbende verdachte en/of haar mededader(s), telkens met voormeld oogmerk, de navolgende goederen - op tijd en plaats daarbij vermeld - gekocht, te weten:
zich (daarbij) voorgedaan als zijnde bevoegd te handelen namens de navolgende rechtspersonen en/of voornoemde goederen gekocht met gebruikmaking van de/een handelsna(a)m(en) van de navolgende rechtspersonen:
en/of bij het plegen van welk(e) bovenomschreven misdrijf/misdrijven zij, verdachte, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 maart 2013 tot en met 01 juni 2015 te [gemeente] , in elk geval in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door bij de Kamer van Koophandel zich in te schrijven als enig aandeelhouder en/of bestuurder van de navolgende rechtspersonen, te weten:
zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 maart 2013 tot en met 01 juni 2015, te [gemeente] , gemeente Oisterwijk, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 92.478,75 Euro, althans enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp, te weten een of meerdere geldbedrag(en) van ongeveer 92.478,75 Euro, althans een geldbedrag, was of wie bovenomschreven voorwerp, te weten een geldbedrag van 92.478,75 Euro, althans enig geldbedrag, voorhanden had, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat voornoemd voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit het misdrijf [zie zaak 3 van het dossier]
zij, verdachte, in of omstreeks de periode van 03 februari 2015 tot en met 27 oktober 2015 te [gemeente] , gemeente Oisterwijk, in elk geval in Nederland, als bestuurder van de rechtspersoon [BV 1] , welke bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zeeland-West-Brabant van 3 februari 2015, in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeiser(s), niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 15i, eerste lid van Boek 3 van het Burgerlijke Wetboek, en/of het bewaren en/of tevoorschijn brengen van boeken en/of bescheiden en/of andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld; [zie zaak 26 van het dossier]
Bewijs.
de rechtbank begrijpt: [verdachte]] was niet aanwezig. Ondanks dat zij statutair bestuurder was, hebben we haar toen niet gesproken. Aan [medeverdachte] is verzocht om de volledige administratie van [BV 1] en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers te overhandigen. Deze zou worden bijgewerkt en overhandigd. Tot op heden is geen administratie ontvangen, ondanks diverse aanmaningen, hoofdzakelijk per e-mail. Ik heb diverse termijnen gesteld. De laatste termijn liep af op 1 maart 2015. Ook in die termijn is aan de vordering niet voldaan.
[verdachte]]. Toen is opnieuw toegezegd dat de administratie zou worden overhandigd. [
[verdachte]] gaf aan niet over informatie of administratie te beschikken. Gelet op het vorenstaande ben ik van oordeel dat [
[verdachte]] als statutair bestuurder […] van [BV 1] […] niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting tot het in ongeschonden staat tevoorschijn brengen van boeken, bescheiden en geschriften, waardoor ik niet heb kunnen controleren of er (meer) baten in dit faillissement zijn en meer algemeen de rechten en verplichtingen van [BV 1] niet heb kunnen vaststellen, zodat rechten van de schuldeisers kunnen zijn verkort. […] De geldstromen zijn slechts gedeeltelijk uit de summiere bankafschriften af te leiden die de curator zelf via de bank moest opvragen. [
[verdachte]] heeft geen
Het vonnis [3] van de rechtbank Zeeland-West-Brabant met insolventienummer C/02/15/50 F, d.d. 3 februari 2015:
De verklaring van verdachte, ter terechtzitting van 11 februari 2019 afgelegd: