Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
- het verzoekschrift van [verzoekster] van 11 mei 2017;
- het verweerschrift van [verweerder] , ingekomen ter griffie op 10 oktober 2017;
- de mondelinge behandeling op 10 oktober 2017.
2.De feiten
3.Het verzoek en de standpunten van partijen
4.De beoordeling
Op zeker moment zag ik dat een jongen[rb: [verweerder] ]
kwam aanfietsen. […] Hij had een telefoon in zijn hand en oordopjes in. […]
Het meisje herkent hij als mevrouw [verzoekster] .”, maar daarmee verwijst [verzoekster] naar de verklaring van [naam getuige] tijdens zijn getuigenverhoor, inhoudende dat hij het meisje van het ongeval herkent als het meisje - [verzoekster] - dat tijdens het verhoor ook in de zaal aanwezig was. De stelling van (de advocaat van) [verweerder] ter zitting dat toen [naam getuige] zich op de plek van het ongeval meldde, hij [verzoekster] bij de voornaam noemde en dat er een relatie leek te zijn, is speculatief en onvoldoende om te kunnen aannemen dat [naam getuige] en [verzoekster] elkaar al voor het ongeval kenden.
in redelijkheid geen verwijt valt te maken” (vgl. HR 4 oktober 1996, NJ 1997/147) of dat “
menselijkerwijs” aan haar niets te verwijten valt (vergelijk de conclusie van de A-G bij laatstgenoemd arrest). Indien in juridisch opzicht aan [verzoekster] enig verwijt te maken valt, hoe gering ook, faalt het beroep op overmacht.