Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
beschikking conflictbehandeling schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[naam Gecertificeerde Instelling], statutair gevestigd te [plaats] , vestiging [plaats] , hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI).
Rechtbank Oost-Brabant
In deze zaak verzoekt moeder met gezag de rechtbank om een schriftelijke aanwijzing van de Gecertificeerde Instelling (GI) geheel te laten vervallen. De GI had aan deze ouder gevraagd mee te werken aan twee begeleide proefcontacten tussen de andere ouder zonder gezag en het kind, met het oog op het vaststellen van een omgangsregeling in het belang van het kind.
De rechtbank stelt vast dat de schriftelijke aanwijzing binnen de wettelijke termijn is aangevochten en dat de GI bevoegd was deze aanwijzing te geven, mede ter uitvoering van een eerder kort geding vonnis. De rechtbank benadrukt dat de proefcontacten bedoeld zijn om te onderzoeken wat in het belang van het kind is, zonder een vooraf vaststaand resultaat.
Wel oordeelt de rechtbank dat de aanwijzing voor het omgangsmoment van 16 mei 2018 niet aan de vereisten van de Algemene wet bestuursrecht voldoet, omdat dit moment al was verstreken toen de aanwijzing werd gegeven. Voor het andere contactmoment op 30 mei 2018 is de aanwijzing zorgvuldig en voldoende gemotiveerd tot stand gekomen.
De rechtbank wijst het verzoek van moeder om de aanwijzing voor 30 mei te laten vervallen af en verklaart de aanwijzing vervallen voor 16 mei. De GI heeft volgens de rechtbank niet nalatig gehandeld en moeder met gezag heeft toegezegd aan toekomstige omgangsmomenten mee te zullen werken.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing vervalt voor het omgangsmoment van 16 mei 2018, maar blijft geldig voor het contactmoment van 30 mei 2018.