Eiseres, werkzaam als medewerkster schoonmaak, werd ziek gemeld wegens knieklachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering (LGU). Verweerder stelde bij besluit vast dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde haar WIA-uitkering per 16 maart 2018. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onjuist is omdat de beoordeling van arbeidsongeschiktheid betrekking had op 16 december 2016, niet op de datum van beëindiging.
De rechtbank constateert dat verweerder is afgeweken van het eigen beleid door niet te vermelden dat de hoogte van de LGU ongewijzigd blijft tot het einde van de LGU en door geen aparte beschikking over de WIA-aanspraken te geven. Hierdoor is het besluit niet deugdelijk gemotiveerd en strijdig met de Awb.
Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten, waaronder deskundigenkosten, conform wettelijke tarieven.