ECLI:NL:RBOBR:2018:1757

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
12 april 2018
Publicatiedatum
12 april 2018
Zaaknummer
17_3083
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om verhoging van Wajong-uitkering wegens hulpbehoevendheid

In deze zaak heeft eiseres, die sinds 12 juni 2009 een Wajong-uitkering ontvangt, verzocht om verhoging van haar uitkering vanwege hulpbehoevendheid. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft op 27 maart 2017 geweigerd de uitkering te verhogen en verklaarde het bezwaar ongegrond in een besluit van 3 oktober 2017. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Tijdens de zitting op 1 maart 2018 werd eiseres vertegenwoordigd door haar gemachtigde en haar vader, die ook haar bewindvoerder en mentor is.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiseres hulp nodig heeft bij enkele essentiële dagelijkse levensverrichtingen, maar niet bij alle. De primaire verzekeringsarts concludeerde dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor een verhoging van de Wajong-uitkering, zoals vastgelegd in de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid. De rechtbank oordeelde dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts voldoende onderbouwd was en dat er geen reden was om aan de juistheid van dit oordeel te twijfelen. Eiseres heeft niet aangetoond dat haar hulpbehoevendheid groter is dan door de verzekeringsarts is vastgesteld.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gedaan op 12 april 2018, en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid om binnen zes weken hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 17/3083

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. L. Boon),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: E.H.J.A. Olthof).

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2017 heeft verweerder geweigerd de Wajong-uitkering van eiseres te verhogen.
Bij besluit van 3 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam] (de vader van eiseres en tevens haar bewindvoerder en mentor) en [naam 1] (begeleider). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt sinds 12 juni 2009 een Wajong-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Naast de Wajong-uitkering ontvangt eiseres een persoonsgebonden budget (pgb). Ze woont bij haar ouders. Vier dagen per week gaat ze naar de dagbesteding van zorgorganisatie Severinus.
2. Eiseres heeft op 1 maart 2017 verzocht om verhoging van haar Wajong-uitkering wegens hulpbehoevendheid.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op een verhoging van haar Wajong-uitkering wegens hulpbehoevendheid.
4. Eiseres is het niet eens met het besluit. Ze voert aan dat ze hulp nodig heeft bij (nagenoeg) alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen. Ze moet dagelijks worden gecontroleerd bij verrichtingen, zoals aankleden, wassen en de toiletgang. Ook is sprake van de noodzaak tot continue opvang. Eiseres meent dat, nu sprake is van een situatie van verminderde verhoging vanwege het pgb, zij recht heeft op een verhoging van het Wajong-uitkering naar een percentage van 85%.
5. Op grond van artikel 3:9 van de Wet Wajong wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, indien de jonggehandicapte verkeert in een althans voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid, die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, voor de duur van die hulpbehoevendheid tot ten hoogste zijn grondslag verhoogd.
6. Ter invulling van deze bevoegdheid zijn in de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (Beleidsregel) nadere regels vastgesteld.
7. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel, wordt – voor zover van belang – de uitkering verhoogd tot 100% van het dagloon of het vervolgdagloon:
a. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is;
b. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en continue oppassing noodzakelijk is;
c. indien de verzekerde hulp nodig heeft bij alle of nagenoeg alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.
Op grond van het tweede lid wordt in de gevallen bedoeld in het eerste lid de uitkering slechts verhoogd tot 85% van de grondslag, indien uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging van de verzekerde wordt voorzien.
8. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel, wordt – voor zover van belang – de uitkering verhoogd tot 85% van het dagloon of het vervolgdagloon, indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.
In het tweede lid is bepaald dat de uitkering niet wordt verhoogd indien uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging van verzekerde wordt voorzien.
9. In de toelichting op de Beleidsregel is onder meer het volgende vermeld:
Bij de behoefte aan oppassing en verzorging gaat het om essentiële en steeds terugkerende op de persoonlijke verzorging betrekking hebbende levensverrichtingen (zoals wassen, aankleden, toiletgang). Het gaat niet om huishoudelijke taken of vervoer.
10. De rechtbank acht verweerders onderzoek voldoende zorgvuldig. De primaire verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiseres gezien op het spreekuur van 24 maart 2017, waarbij een anamnese is afgenomen en een psychisch onderzoek is verricht. In bezwaar heeft de verzekeringsarts B&B het dossier bestudeerd, waaronder het verslag van de hoorzitting. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat de verzekeringsarts B&B aanvullend onderzoek had moeten verrichten.
11. Verweerder is ermee bekend dat bij eiseres sprake is van een matige verstandelijke beperking. De primaire verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 24 maart 2017 geconcludeerd dat eiseres hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijkse terugkerende levensverrichtingen en dat zij is aangewezen op geregelde handreikingen door derden. Daarbij heeft de primaire verzekeringsarts gewezen op de omstandigheid dat eiseres haar eigen kleding kan uitkiezen en zich kan aan- en uitkleden. Soms moet haar moeder de kleding aanpassen, omdat deze niet geschikt is voor het seizoen. Eiseres helpt af en toe met lichte huishoudelijke werkzaamheden, zoals tafeldekken. Een enkele keer is eiseres alleen thuis, maar nooit langer dan een half uur. Volgens de primaire verzekeringsarts is geen sprake van een situatie waarbij hulp nodig is bij (nagenoeg) alle essentiële, dagelijkse terugkerende levensverrichtingen en bestaat er geen noodzaak voor continue oppassing. De verzekeringsarts B&B heeft in zijn rapport van 1 oktober 2017 het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Daarbij heeft hij geconcludeerd dat in bezwaar geen medische feiten naar voren zijn gekomen die aanleiding vormen om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. Omdat eiseres een pgb ontvangt, heeft zij geen recht op een verhoging van haar uitkering naar een percentage van 85%.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts B&B. De verzekeringsarts B&B heeft afdoende gemotiveerd dat niet is voldaan aan de in artikel 2 van de Beleidsregel gestelde criteria. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij haar een grotere mate van hulpbehoevendheid bestaat dan door de verzekeringsarts B&B is aangenomen.
De omstandigheid dat eiseres bij verrichtingen zoals het aan- en uitkleden, baden en de toiletgang na afloop moet worden gecontroleerd, waarop zij de toelichting heeft gegeven dat bij de controle vaak blijkt dat bepaalde handelingen overgedaan moeten worden, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Verweerder heeft tijdens de zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6101, terecht gesteld dat uit de omstandigheid dat eiseres voornamelijk bij lichaamsverzorging, zoals baden en verzorging na de toiletgang, hulp nodig heeft, niet blijkt niet dat er zij hulp nodig heeft bij (nagenoeg) alle essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen. Uit de stukken is ook niet gebleken dat sprake is van de noodzaak van min of meer continue oppassing. Verweerder heeft daarom terecht het verzoek van eiseres om verhoging van haar Wajong-uitkering naar een percentage van 85% afgewezen.
13. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.