De zaak betreft een geschil tussen een franchisenemer en franchisegever over een franchiseovereenkomst voor een vlaaienwinkel in een winkelcentrum. De franchisenemer stelde dat de franchisegever onjuiste omzetprognoses had verstrekt, gebaseerd op een ondeugdelijk vestigingsplaatsonderzoek, waardoor de winkel verlies draaide.
De rechtbank stelde vast dat de franchisegever onvoldoende rekening had gehouden met de zware concurrentie van een nabijgelegen winkelcentrum, wat leidde tot een onzorgvuldige omzetprognose. De franchisenemer had zich terecht op dwaling beroepen omdat zij de overeenkomst niet zou hebben gesloten als zij de werkelijke concurrentie had gekend.
Hoewel de franchisenemer ook eigen schuld had omdat hij wist van de concurrentie, werd de schadevergoedingsplicht van de franchisegever vastgesteld op 50%. De rechtbank wees een nieuwe schadeberekening toe op basis van het verschil tussen het feitelijke vermogen en het hypothetische vermogen zonder de franchiseovereenkomst, met een peildatum van 1 oktober 2016.
De procedure wordt voortgezet voor nadere vaststelling van de schade en bewijsvoering.