ECLI:NL:RBOBR:2017:6307
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor medeplegen van invoer van 206 gram cocaïne via postpakket
Verdachte heeft samen met een ander in de periode van 20 juni tot en met 25 juli 2016 ongeveer 206 gram cocaïne via een postpakket in Nederland gebracht. De rechtbank acht dit wettig en overtuigend bewezen op basis van onder meer douanecontroles, forensisch onderzoek, observaties, en WhatsApp-berichten tussen verdachte en zijn neef in Curaçao.
De verdediging stelde dat sprake was van een gecontroleerde aflevering zonder het vereiste bevel voor pseudodienstverlening, wat een onherstelbaar vormverzuim opleverde. De rechtbank oordeelde echter dat dit vormverzuim van administratieve aard was en geen ernstige consequenties had, mede omdat de aflevering onder regie van het openbaar ministerie plaatsvond.
Verdachte wist bewust dat hij drugs zou ontvangen en aanvaarde de aanmerkelijke kans dat het pakket cocaïne bevatte. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het georganiseerde karakter, maar ook met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van een strafblad en zijn maatschappelijke positie.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot 84 dagen gevangenisstraf, waarvan 66 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 80 uren. De straf weerspiegelt de ernst van het feit en de noodzaak van normhandhaving, terwijl rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 84 dagen gevangenisstraf, waarvan 66 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 80 uren wegens medeplegen van invoer van cocaïne.