Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2017 in de zaak tussen
[eisers] , te [woonplaats] , eisers
de heffingsambtenaar van de gemeente Valkenswaard, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
[naam] , zoon van wijlen [naam]
(hierna: [naam] ), zijn moeder. De naastgelegen woning is gelegen op het perceel kadastraal bekend als [nummer] .
Het object (bouwjaar 2006) was oorspronkelijk ingericht als berging/atelier. Na aanpassing in 2009 is het object in gebruik genomen als mantelzorgwoning voor [naam] tot aan haar overlijden op 17 februari 2015.
De mantelzorgwoning bestaat uit de hoofdbouw (348 m³) met carport en beschikt over zonnepanelen. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 440 m². De mantelzorgwoning heeft een eigen uitrit naar de nabijgelegen [adres] .
Verweerder heeft de erven van [naam] als rechtverkrijgenden een gecombineerd aanslagbiljet (aanslagnummer [nummer] ) gezonden. Met dit aanslagbiljet heeft verweerder de WOZ-waarde voor de mantelzorgwoning, per waardepeildatum 1 januari 2014, voor het kalenderjaar 2015, vastgesteld, en onder meer de daarop gebaseerde aanslag OZB voor dit object opgelegd.
In geschil is thans de waarde van de mantelzorgwoning op de waardepeildatum 1 januari 2014. Eisers bepleiten een waarde van € 87.000. Verweerder verwijst ter onderbouwing van de vastgestelde waarde (€ 168.000) naar de gelijkluidende getaxeerde waarde, zoals opgenomen in het taxatierapport dat op 31 oktober 2016 is opgesteld door verweerder.
.Daarnaast heeft verweerder de grondwaarde berekend aan de hand van een grondstaffel, waarop in verband met de slechtere ligging een correctie van 20% is toegepast. Met de lagere waarde per m³ en de correctie op de grondwaarde heeft verweerder ook in voldoende mate tot uitdrukking gebracht dat het imago van een mantelzorgwoning lager ligt dan een reguliere seniorenwoning. Eisers hebben deze waardeonderbouwing onvoldoende weersproken.