Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
hij op of omstreeks 20 februari 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, althans opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.000 pillen bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, in elk geval bevattende een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
hij op of omstreeks 8 april 2014 te Apeldoorn en/of te Loenen, gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, althans opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 65,65 kilogram (zijnde ongeveer 270.000 pillen) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, in elk geval bevattende een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
hij op of omstreeks 8 april 2014 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk Zastava, model 70, kaliber 7,65 mm en/of munitie van categorie III, te weten acht, althans een aantal, kogelpatronen "Geco L 7.65.T" voorhanden heeft gehad.
De formele voorvragen.
De geldigheid van de dagvaarding.
De bevoegdheid van de rechtbank.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
1. Het standpunt van de officier van justitie
2. Het standpunt van de verdediging
[medeverdachte 1] , een vriend van [persoon x], die was geïnteresseerd in de verkoop van MDMA in Nederland.
22 april 2013reeds door het LIRC ontvangen DEA-informatie.
a friend of [persoon x]’ - ziet in dit verband slechts op het uitwisselen van (politionele) informatie in de voorfase. Dat geldt eveneens voor het door een
Confidential Source(hierna: CS) via facebook laten verifiëren van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . De rechtbank overweegt in dit verband dat het door (criminele) informanten verstrekken van dergelijke informatie als startinformatie ook in Nederland niet ongebruikelijk is; de rechtbank wijst ten dezen op de zogenaamde TCI-processen-verbaal.
criminele burgerinfiltrant, zoals door de verdediging is gesteld; UC A-2135 verklaart over een ‘collaborador’, terwijl in de brief van de Amerikaanse autoriteiten d.d. 4 januari 2016 melding wordt gemaakt van een ‘criminal
informant’,en meer specifiek ten aanzien van de verstrekker van de informatie, van een ‘DEA confidential source’. Over een (criminele) burgerinfiltrant wordt niet gesproken, nog daargelaten de vraag omtrent wetenschap daarvan bij de Nederlandse autoriteiten.
in 2014 vanuit het nietsweer contact met hem opnam.
a friend of [persoon x]’ eerst later aan het dossier gevoegd, waardoor in eerste instantie de indruk bestond dat [medeverdachte 1] zelf de naam ‘ [persoon x] ’ als eerste had genoemd. De rechtbank is evenwel niet gebleken dat sprake zou zijn van het (herhaaldelijk) welbewust buiten het dossier houden van informatie en het (herhaaldelijk) welbewust spreken van onwaarheden. In aanmerking nemende de in het dossier opgenomen startinformatie, zoals aangevuld met het proces-verbaal van B-2160 d.d. 4 maart 2015, de memo van DEA liaison officer [naam 1] van gelijke datum en de brief van de Amerikaanse autoriteiten d.d. 4 januari 2016, is de rechtbank van oordeel dat een toereikende verantwoording van die voorfase voorligt, te meer nu de verdediging de gelegenheid heeft benut om diverse bij de start van het onderzoek relevante actoren daarover te bevragen. Hetgeen de verdediging heeft aangehaald levert onvoldoende aanwijzingen op dat andere dan de reeds verantwoorde bevindingen uit die voorfase aan de basis hebben gestaan van het daarop volgende opsporingsonderzoek. De rechtbank herhaalt in dit verband dat [medeverdachte 1] zelf aangeeft dat [persoon x]
in 2014 vanuit het nietscontact op nam via facebook, derhalve op een tijdstip dat de informatie omtrent zijn vermeende drugsactiviteiten reeds bekend was.
In beginselwordt eenmalig gebruik gemaakt van het bijzondere opsporingsmiddel
verscheidene keren deals had uitgevoerd in Spanje’ waarbij hij specifiek vermeldde dat ‘
de laatst uitgevoerde deal tweehonderdduizend pillen betroffen voor een prijs van 1 euro en tachtig eurocent (€ 1,80) per pil’[zaaksdossier 1, p. 88 en 103].
twee Portugese vrienden van hem [= [persoon x] ] zou willen opvangen op Schiphol’ [2] - geen sprake is geweest van ontoelaatbare uitlokking, nu de opzet van [medeverdachte 1] reeds tevoren was gericht op de (internationale) handel in harddrugs. Van ontoelaatbare uitlokking was mitsdien geen sprake.
Schorsing der vervolging.
De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit.
Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
Het gebruik van de verklaringen van de verbalisanten onder nummer
Wetenschap harddrugs en de rol van verdachte.
Opzet op uitvoer van harddrugs
De bewezenverklaring.
op 20 februari 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, ongeveer 10.000 pillen bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
op 8 april 2014 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, ongeveer 65,65 kilogram (zijnde ongeveer 270.000 pillen) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van verdachte.
Oplegging van straf.
Algemeen
Overschrijding van de redelijke termijn.
De wijze van aanhouding van verdachte en het daarbij door hem opgelopen letsel.
Strafverzwarende omstandigheden
Strafmatigende omstandigheden.
De strafmodaliteit
Conclusie
Motivering van de beslissing op het beslag.
De voorlopige hechtenis.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;
Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef Pro en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit:
gevangenisstrafvoor de duur
van vijf jaar en zes maanden.
gelast de bewaringten behoeve van de rechthebbende van een blauwe personenauto van het merk Audi A4 TDI met [kenteken] , ibn-code [nummer] en een telefoon van het merk Blackberry, ibn-code [nummer] en een telefoon van het merk Nokia, ibn-code [nummer] .