Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 januari 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
.
Rechtbank Oost-Brabant
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een camping die deels in aanbouw is, met als waardepeildatum 1 januari 2013 en toestand op 1 januari 2014. De heffingsambtenaar heeft de waarde vastgesteld op €660.000, gebaseerd op een taxatierapport van een deskundige.
De kern van het geschil betreft de juiste toepassing van de gecorrigeerde vervangingswaarde, waarbij eiser met name de deelwaarden van de werktuigenberging/wagenloods en de grondprijs betwist. Eiser stelt dat voor de werktuigenberging een te hoge eenheidsprijs is gehanteerd en dat de grondprijs te hoog is, mede omdat een deel van de grond uit bos bestaat.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar terecht de kengetallen uit de Taxatiewijzer Algemeen heeft gebruikt en niet die uit de Taxatiewijzer Agrarisch, omdat het object geen agrarisch deelobject betreft. Ook de grondprijs is niet onredelijk, waarbij het verschil tussen de jaren 2013 en 2014 verklaard wordt door de gereedheidsstaat van het hotelgebouw. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aan zijn bewijslast heeft voldaan en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €660.000 wordt ongegrond verklaard.