ECLI:NL:RBOBR:2016:5314
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard wegens schending vertrouwensbeginsel en beginselen behoorlijke procesorde
De zaak betreft een vervolging tegen verdachte wegens mishandeling en bedreiging van een slachtoffer op 11 november 2015. De officier van justitie had aanvankelijk een voorlopige tenlastelegging met bepaalde feiten ingediend, waarvan de raadsman na telefonisch contact met de officier van justitie werd verzekerd dat deze tenlastelegging definitief was. Later werd door het openbaar ministerie een gewijzigde dagvaarding uitgebracht met andere feiten die hetzelfde incident betroffen.
De verdediging stelde dat deze wijziging in strijd was met het vertrouwensbeginsel, omdat zij op basis van de eerdere toezegging mochten aannemen dat de verdenking niet zou worden uitgebreid. De officier van justitie betoogde dat de toezegging slechts betrekking had op de juridische status van de voorlopige dagvaarding en niet op de inhoudelijke wijziging van de tenlastelegging.
De rechtbank oordeelde dat de officier van justitie met zijn eerdere mededeling het gerechtvaardigde vertrouwen bij verdachte en haar raadsman had gewekt dat de tenlastelegging definitief was. Het uitbrengen van een nieuwe dagvaarding met andere feiten betrof een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens schending van het vertrouwensbeginsel en de beginselen van een behoorlijke procesorde.