Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[vergunninghouder], te [woonplaats] , gemachtigde: mr. C.W.M. Verberne.
Rechtbank Oost-Brabant
Vergunninghouder, als enige rechthebbende, verzocht om toestemming voor het opgraven en herbegraven van zijn overleden echtgenote op een natuurbegraafplaats. Verzoeker, zoon van vergunninghouder, maakte bezwaar en stelde dat de grafrust van zijn moeder moest worden gerespecteerd, omdat zij uitdrukkelijk en stilzwijgend had gewenst in het bestaande graf te blijven.
De burgemeester verleende de vergunning en oordeelde dat de wens van vergunninghouder als nabestaande een zwaarwegende reden vormt die zwaarder kan wegen dan het algemene verbod op opgraving. De voorzieningenrechter past een terughoudende toets toe en stelt vast dat de grafrust een groot belang heeft, maar dat na tien jaar zwaarwegende belangen kunnen prevaleren.
De voorzieningenrechter concludeert dat de vergunninghouder terecht een zwaarder belang is toegekend dan de wens van verzoeker om de grafrust te laten voortduren. De stelling van verzoeker dat zijn moeder niet herbegraven wilde worden, is onvoldoende onderbouwd met objectieve gegevens. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor op- en herbegraving op een natuurbegraafplaats wordt ongegrond verklaard.