ECLI:NL:RBOBR:2016:4753
Rechtbank Oost-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek partneralimentatie bij korte huwelijk en ontbreken gemeenschappelijke huishouding
De vrouw verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen waarbij de man vanaf 15 juli 2016 een maandelijkse bijdrage van €1.454,80 zou betalen voor haar levensonderhoud. De man voerde verweer en stelde dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het opleggen van een onderhoudsbijdrage, aangezien het huwelijk slechts kort heeft geduurd en partijen nooit samen onder één dak hebben gewoond of een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.
De rechtbank nam kennis van het verzoekschrift, het verweerschrift en behandelde de zaak op 18 augustus 2016, waarbij de vrouw niet verscheen. De rechtbank overwoog dat het huwelijk een levensgemeenschap en lotsverbondenheid schept die ook na beëindiging van het huwelijk doorwerkt, maar dat de korte duur van het huwelijk en het ontbreken van een gemeenschappelijke huishouding omstandigheden zijn die meespelen bij de beoordeling van de alimentatieplicht.
De vrouw had onvoldoende onderbouwd dat zij een aan het huwelijk gerelateerde welstand genoot en daardoor behoeftig was. De man had gemotiveerd betwist dat er sprake was van afspraken over gezamenlijke lasten en dat er een gemeenschappelijke huishouding was gevoerd. Gezien deze omstandigheden kon de rechtbank niet toekomen aan het opleggen van een voorlopige onderhoudsbijdrage.
De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af, met de kanttekening dat dit oordeel niet belet dat een rechter in de echtscheidingsprocedure tot een ander oordeel kan komen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en korte duur van het huwelijk zonder gemeenschappelijke huishouding.