ECLI:NL:RBOBR:2016:4753

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
1 september 2016
Publicatiedatum
30 augustus 2016
Zaaknummer
C/01/311238 / FA RK 16-4094
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 822 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek partneralimentatie bij korte huwelijk en ontbreken gemeenschappelijke huishouding

De vrouw verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen waarbij de man vanaf 15 juli 2016 een maandelijkse bijdrage van €1.454,80 zou betalen voor haar levensonderhoud. De man voerde verweer en stelde dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het opleggen van een onderhoudsbijdrage, aangezien het huwelijk slechts kort heeft geduurd en partijen nooit samen onder één dak hebben gewoond of een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd.

De rechtbank nam kennis van het verzoekschrift, het verweerschrift en behandelde de zaak op 18 augustus 2016, waarbij de vrouw niet verscheen. De rechtbank overwoog dat het huwelijk een levensgemeenschap en lotsverbondenheid schept die ook na beëindiging van het huwelijk doorwerkt, maar dat de korte duur van het huwelijk en het ontbreken van een gemeenschappelijke huishouding omstandigheden zijn die meespelen bij de beoordeling van de alimentatieplicht.

De vrouw had onvoldoende onderbouwd dat zij een aan het huwelijk gerelateerde welstand genoot en daardoor behoeftig was. De man had gemotiveerd betwist dat er sprake was van afspraken over gezamenlijke lasten en dat er een gemeenschappelijke huishouding was gevoerd. Gezien deze omstandigheden kon de rechtbank niet toekomen aan het opleggen van een voorlopige onderhoudsbijdrage.

De rechtbank wees het verzoek van de vrouw af, met de kanttekening dat dit oordeel niet belet dat een rechter in de echtscheidingsprocedure tot een ander oordeel kan komen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige partneralimentatie wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en korte duur van het huwelijk zonder gemeenschappelijke huishouding.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/311238 / FA RK 16-4094
Uitspraak : 1 september 2016
Beschikking betreffende voorlopige voorzieningen in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. R.W.C. Vranken,
tegen:
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.E.G. van Hout,
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de vrouw en de man.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift (met bijlagen) van de vrouw, dat op 18 juli 2016 is ontvangen bij de griffie van de rechtbank Limburg alsmede van de beschikking van die rechtbank van 4 augustus 2016 waarin deze zich onbevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van het verzoek en waarin de zaak in de stand waarin deze zich toen bevond is doorverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verweerschrift (met bijlagen) van de man en het F9-formulier van mr. Vranken van 16 augustus 2016 (met bijlagen).
1.2.
De zaak is behandeld ter zitting van 18 augustus 2016. Daarbij zijn verschenen mr. Vranken, de man en mr. Van Hout. Alhoewel behoorlijk opgeroepen is de vrouw niet verschenen.

2.De beoordeling

2.1.
De vrouw stelt recht en belang te hebben bij de volgende voorlopige voorziening waarover partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen. De rechtbank zal de verzochte voorziening beoordelen en daarbij ingaan op de stellingen van partijen voor zover relevant.
Partneralimentatie
2.2.
De vrouw verzoekt de rechtbank om voor de duur van het geding te bepalen dat de man met ingang van 15 juli 2016 met € 1.454,80 per maand dient bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud, bij vooruitbetaling te voldoen, dan wel in goede justitie een bijdrage en ingangsdatum te bepalen. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek dan wel limitering van de partneralimentatie tot een duur van twee maanden.
2.3.
De man voert als meest verstrekkende verweer dat de maatstaven van redelijkheid en billijkheid zich verzetten tegen het opleggen van een onderhoudsbijdrage ten laste van hem. Hij voert daartoe aan dat partijen op 12 januari 2016, na een korte knipperlichtrelatie, met elkaar zijn gehuwd en dat in maart 2016 de scheidingsmelding is gedaan. Partijen hebben nooit samen onder één dak geleefd en ieder van hen had (en heeft nog steeds) een eigen woning. Partijen hebben nooit een gemeenschappelijk huishouding gevoerd. De vrouw betaalde haar lasten, afgezien van de aflossing van een belastingschuld en haar ziektekosten. De man betaalde op zijn beurt zijn eigen kosten, waaronder ook begrepen de kosten van zijn kinderen. De man stelt zich derhalve op het standpunt dat de situatie van partijen geenszins in lijn is met het doel waarop de verplichting tot partneralimentatie is gestoeld, namelijk dat partijen kunnen voortleven in de welstand waarin ze zich tijdens het huwelijk bevonden ofwel met de levensgemeenschap zoals die door het huwelijk is geschapen. De man betwist nadrukkelijk dat in het onderhavige geval deze levensgemeenschap is geschapen en verzet zich dan ook tegen de beperkte doorwerking van de lotsverbondenheid, sterker nog de man stelt dat er nooit daadwerkelijk lotsverbondenheid heeft kunnen ontstaan in deze zeer korte periode, waarin partijen ook nog eens strikt gescheiden huishoudingen voerden.
De man heeft aanvullend gesteld dat hij maandelijks een bedrag ad € 335,00 heeft afgelost op een belastingschuld van de vrouw en haar zorgverzekering ad € 141,30 per maand heeft betaald om reden dat de vrouw in het verleden nogal eens betalingsachterstanden opliep. De man wilde voorkomen dat de belastingdienst dan wel de zorgverzekeraar hem aansprakelijk zou stellen voor een achterstand in het aflossen van de schuld van de vrouw.
De vrouw heeft ter zitting doen stellen dat partijen een gemeenschappelijk rekening hadden en dat er afspraken zijn gemaakt hoe uitgaven zouden worden voldaan. De man heeft deze stelling gemotiveerd betwist en gesteld dat partijen slechts de kosten deelden die werden gemaakt op de dagen die ze met elkaar doorbrachten en dat in dat verband elk van hen een klein bedrag stortte op een rekening. De afspraken waar de vrouw aan refereert zagen op de toekomst maar zijn nooit geeffectueerd.
2.4.
De rechtbank overweegt ter zake het volgende.
2.5.
De rechtbank stelt voorop dat het huwelijk een levensgemeenschap en lotsverbondenheid schept, die haar werking behoudt ook al wordt het huwelijk beëindigd. Deze lotsverbondenheid is één van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht. Het enkele feit dat de vrouw, zoals de man stelt, ten gevolge van het huwelijk geen hogere welstand is gaan genieten dan die welke zij genoot vóór het huwelijk doet de grondslag voor de onderhoudsplicht jegens de vrouw niet vervallen. Datzelfde geldt voor de duur van de relatie die partijen feitelijk met elkaar hebben gehad. Het zijn wel omstandigheden die een rol kunnen spelen bij de vraag in welke mate en voor welke periode de vrouw in redelijkheid aanspraak kan maken op een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw haar stelling dat zij, zo begrijpt de rechtbank, een aan het huwelijk gerelateerde welstand is gaan genieten en daarmee thans behoeftig is onvoldoende heeft onderbouwd. Namens haar heeft haar advocaat ter zitting slechts in algemene termen kunnen toelichten dat er een plan was gemaakt om bepaalde lasten te verdelen over partijen en dat dit ook is uitgevoerd. De man heeft dit laatste echter gemotiveerd betwist. Voorts heeft de vrouw niet betwist dat partijen reeds twee maanden na hun huwelijk de affectieve relatie hebben beëindigd. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat in het kader van de onderhavige procedure dan ook niet toegekomen kan worden aan een ordemaatregel zoals de vrouw die verzoekt. De rechtbank hecht er tot slot aan op te merken dat het oordeel in de onderhavige zaak onverlet laat dat een rechter die over de alimentatieplicht in de echtscheidingsprocedure moet oordelen tot een ander oordeel komt.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek van de vrouw af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. ter Braak, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 1 september 2016.
Conc: CvdBS